zontwikkelingen "oud"
links
PV-systeem
basics
grafieken
graphs
huurwoningen
nieuws
index
 

SOLARENERGYERGY

Nieuws P.V. pagina 137

meest recente bericht boven

Specials:
SDE 2016 ronde II deel 2 - details per categorie beschikt vermogen en projecten
SDE 2016 ronde II deel 1 - nieuw record bij toegekend vermogen
Aandelen maandproducties in jaaropbrengst - tm. 2016
Zonnestroom productie Polder PV 2016
Zoninstraling 2016 KNMI geanalyseerd
Record toevoeging Polder PV's overzicht grote zonnestroom projecten: + 169 MWp
Maatwerktabel PV markt CBS - >1 GWp residentieel eind 2015

24 december 2016 - 28 januari 2017

actueel 138 137 136 135 134 133 132 131 130-121 120-111 110-101
100-91
90-81 80-71 70-61 60-51 50-41>>> highlights


 
^
TOP

28 januari 2017: SDE 2016 ronde II - details per categorie beschikt vermogen en wetenswaardigheden op project niveau. In het vorige artikel liet ik u een globale vergelijking van de impact van zowel de oorspronkelijke hoeveelheid aanvragen, als de uiteindelijke toekenningen voor de tweede SDE 2016 ronde zien voor zonnestroom en thermische zonne-energie. In dit artikel gaan we iets dieper in op de "aard" van de daadwerkelijk beschikte volumes voor PV, met enkele details over enkele groepen (opvallende) aanvragers.

Aangezien RVO de projecten sedert medio 2016 weer van meer details voorziet dan enkele jaren het geval is geweest, kan er gesegmenteerd worden, bijvoorbeeld op de beschikte aantallen per vermogens-groep. Hieraan kunnen we beter zien op welke wijze de "schaalvergroting" bij PV bij het aantal beschikte projecten in zijn werk is gegaan. In onderstaande tabel geef ik u de nodige cijfers over zo'n segmentatie, per grootte categorie beschikkingen, binnen de twee SDE 2016 rondes. De nieuwe data voor SDE 2016 ronde II heb ik in het gele veld weergegeven. De data voor de eerste ronde zijn nauwelijks aangepast t.o.v. de vorige update, er zijn tot nog toe slechts 2 van de oorspronkelijke beschikte projecten verdwenen.

Over de totale volumes heb ik u in het vorige artikel al e.e.a. laten zien. De verhoudingen tussen de twee SDE 2016 rondes vindt u in de laatste kolom als een factor hoeveel keer omvangrijk de toekenningen waren binnen de najaars-ronde t.o.v. die in het voorjaar van 2016. Dit voor zowel het aantal toegekende projecten, als de capaciteit voor het totaal. De tweede SDE 2016 ronde leverde gemiddeld genomen een factor 2,5 maal zo veel aan PV projecten op, maar zelfs een factor 5,4 maal zo veel capaciteit. Hetgeen onherroepelijk betekent dat het systeemgemiddelde vermogen bij (zowel de aanvragen als) de beschikkingen fors hoger gelegen moet hebben. Dat klopt, dat was in de 2e ronde een factor 2,2 maal zo hoog zoals de kengetallen in de tabel laat zien.

In de volgende 4 groepjes heb ik de projecten gesorteerd op beschikte capaciteit en gesegmenteerd. Je kunt een eerste grove verdeling maken in projecten van 1 MWp en groter, en projecten die per stuk kleiner zijn dan 1 MWp, deze zijn bij de percentages "aandeel op totaal" gemarkeerd met groene en rode cijfers, waarvan de totalen natuurlijk optellen tot 100% (aparte berekening onder "CHECKSUM"). Ook heb ik nog twee extra berekeningen gemaakt voor de zeer grote projecten (met per project 10 MWp of meer vermogen, het gaat hier uitsluitend om grondgebonden installaties). En nog een voor projecten van 500 kWp en hoger. Zeg maar, "alle grote projecten vanaf een halve MWp bij elkaar". In eerdere SDE "+" regelingen lag er nog een grens van 500 kWp per project, waar van af er een haalbaarheids-studie bijgeleverd moest worden om sowieso in aanmerking te kunnen komen bij de aanvraag. Later is deze voorwaarde aangescherpt tot "meerdere projecten per aanvrager binnen een subsidie ronde" die, indien het totaal aan aanvragen die 500 kWp grens passeerde, leidde tot de voorwaarde van een haalbaarheids-studie voor het totaal van die projecten (dus niet slechts voor 1).

Per grootte categorie vindt u de absolute hoeveelheid projecten die zijn toegekend, de totale capaciteit in MWp die daarmee gepaard is gegaan, en het systeemgemiddelde vermogen wat daar uit resulteert voor de betreffende grootte categorie. Voor zowel de eerste SDE 2016 ronde (links), als die voor de net beschikte tweede ronde in de gele kolom.

Grootste projecten
We zien meteen al bij de grootste project categorie, toegekende installaties van 10 MWp of hoger, voor Nederland nog steeds een "zeldzaam verschijnsel", een enorm verschil tussen de twee rondes binnen SDE 2016. Dit had deels te maken met de totaal absurde claim van biomassa bijstook in kolen centrales in de eerste ronde, maar heeft deels ook een "strategische" reden. Er is gewoon afgewacht tot de eerste ronde bekend was, de beter geoutilleerde project ontwikkelaars wisten toen dat er niet veel "ruimte" voor biomassa meer over kon zijn voor de laatste ronde in 2016, en hebben toen vol ingezet met hun kapitaalkrachtige plannen voor zeer grote installaties. Het gevolg is dat er in de eerste ronde slechts 1 project in deze categorie is gevallen (Zonnepark Veendam, 15,8 MWp), terwijl dat er in de tweede ronde maar liefst 12 zijn geworden, met een totale project omvang van maar liefst 393 MWp! Het systeemgemiddelde van die 12 grote beschikkingen is zelfs 32,8 MWp per stuk, wat ruim het dubbele is van de capaciteit voor Zonnepark Veendam! Dit komt, omdat bij genoemde 12 grote projecten ook het grootste zonnestroom project voor Nederland zit, Zonnepark Sappemeer in Groningen. Wat Powerfield probeert te ontwikkelen, en wat een spectaculaire omvang van maar liefst 103 MWp zou moeten gaan krijgen. Als het gaat lukken. Zo'n park kost immers zo'n honderd miljoen Euro, en dat heeft zware financiering nodig.

Ook Vlissingen (Solarpark Scaldia, van dezelfde ontwikkelaar als het nu grootste gerealiseerde zonnepark Sunport in Delfzijl), 55 MWp zit erbij, we hebben het allemaal eerder in de pers vernomen. En ook nog eens twee grote parken van het in Heerenveen zetelende, succesvolle bedrijf Herbo Groenleven (shirt-sponsor van FC Heerenveen), beiden 51,3 MWp, in Steenwijk (Kop van Overijssel) en Oudeschoot (dorp oostelijk van het zeer Friese Heerenveen, de thuisbasis van Groenleven). Die laatste was bij Polder PV nog niet eens bekend in de al enorme waslijst "pending" projecten. En er staat wel meer nieuw groot spul in het nieuwe SDE 2016 ronde II overzicht, wat die lijst verder zal doen aanzwellen. Maar dan wel met de noodzakelijke, succes verhogende SDE beschikkingen (niet alleen "plannen nog zonder financiële backing"). Alleen al die vier grootste beschikkingen maken, dat het project gemiddelde vermogen voor die hoogste categorie van 10 MWp of hoger, "on-Nederlands" hoog is komen te liggen. Ik ben verder zeker 4 nieuwe grote vrije-veld projecten tegengekomen met SDE 2016 ronde II beschikking die ik nog niet kende, en er zullen ook op lager niveau wellicht nog wel meer "kleintjes" verscholen zitten achter project namen die hun aard nu nog niet direct duidelijk verraden, totdat er meer details over vrij zullen komen. Dus we kunnen het een en ander gaan verwachten bij de bouw van zonneparken in ons kleine postzegel landje...

Projecten vanaf 1 MWp (incl. de grootste)
Voor projecten groter of gelijk aan 1 MWp heb ik ook een apart overzichtje gemaakt. Want zelfs veel mensen in de PV-sector beseffen niet hoe omvangrijk alleen dat marktsegment (inclusief "de grootste categorie", >= 10 MWp, hierboven besproken) kan gaan worden, als die SDE beschikkingen daadwerkelijk uitgevoerd gaan worden. Waar de eerste ronde van SDE 2016 nog een relatief bescheiden hoeveelheid van 21 installaties in dat segment had zitten, met bijna 63 MWp, is dat ge-explodeerd naar maar liefst 111 projecten (met beschikking!) in de tweede ronde. Met maar liefst 613 MWp (!), bijna tien maal zo veel capaciteit! Het systeem gemiddelde vermogen van al die projecten is gestegen van bijna 3 MWp per stuk in de eerste ronde, naar 5,5 MWp in de tweede. Wederom: bijna een verdubbeling van de impact. Het gaat hier dus om een enorme vergroting van de capaciteit, van een zeer significant volume in de SDE regelingen. In zeer korte tijd. Een groot deel van de beschikte (maximale) subsidies zal in juist deze project categorie gaan zitten.

Vanaf 500 kWp: heftige impact en forse vergroting toekenning aantal en capaciteit grote projecten
Het is nog niet zo lang geleden, dat de meeste mensen - en zelfs specialisten - in ons land 500 kWp al "groot" vonden voor een zonnestroom project. Toen er nog massaal 250 Wp kristallijne PV modules werden verkocht (2013-2015), kwam dat neer op een project met 2.000 panelen. Voor veel mensen al bijna onvoorstelbaar "groot"... Daarom heb ik daarvoor ook een afzonderlijke segmentatie weergegeven in de tabel. Die categorie bevatte in de eerste SDE 2016 ronde 38 projecten met ruim 74 MWp capaciteit. In de najaars-ronde is dat aangezwollen tot 184 projecten met maar liefst ruim 664 MWp. De najaars-ronde heeft daarmee een factor 4,8 maal zo veel beschikkingen in dit segment, en zelfs een factor 9 maal bij de geaccumuleerde capaciteit. Het is duidelijk: de grote project categorie boven de halve MWp is enorm sterk toegenomen t.o.v. de eerste ronde. Het (beschikte) systeemgemiddelde groeide van bijna 2 naar gemiddeld 3,6 MWp per project in dit marktsegment, een vergroting met factor 1,8.

Wat er overblijft onder 1 MWp
Het, niet onbeleefd bedoeld, "kleine grut" vinden we in de categorie "tot 1 MWp". Dit segment bevatte 808 projecten met bijna 116 MWp capaciteit, met een systeemgemiddelde van 143 kWp per project in de eerste SDE 2016 ronde. In de najaars-ronde zijn dit 1.936 projecten geworden, met ruim 357 MWp, en een systeemgemiddelde van bijna 185 kWp per project. Wederom geldt hier: zelfs bij de "kleinere projecten" zijn alle cijfers uit de voorjaars-regeling flink opwaarts bijgesteld in de 2e ronde. Met factoren 2,4 (aantallen projecten) en 3,1 (capaciteit). En bij het systeemgemiddelde met een factor 1,3.

Kleinere vermogensklassen - tot 500 en tot 100 kWp
Voor de kleinere vermogensklassen heb ik tot slot nog 2 aparte segmentaties toegevoegd, om te kijken hoe de vlag daar is gaan waaien tussen de twee SDE 2016 regelingen in. Voor alle projecten tot 500 kWp, 791 stuks in SDE 2016 ronde I, is 104 MWp beschikt en resulteert een gemiddeld systeem vermogen van 132 kWp. In de najaars-ronde waren deze getallen 1.863 projecten, 306 MWp, resp. 164 kWp gemiddeld per project. Wederom: alles groter in de tweede dan in de eerste SDE 2016 ronde, met factoren 2,4 (aantallen), 2,9 (capaciteit), resp. 1,2 maal bij de gemiddelde project grootte.

De kleinste categorie, 15 kWp tot 100 kWp (een "vertrouwd beeld" in de oudere SDE regelingen vanaf SDE 2009) omvatte in de voorjaars-ronde van SDE 2016 446 projecten, met gezamenlijk slechts 25,2 MWp, en een gemiddelde systeemgrootte van zo'n 57 kWp. Zelfs bij deze kleinste project categorie, waren de resulterende kengetallen bij ronde II binnen SDE 2016, die gedomineerd wordt door beschikkingen voor zéér grote PV projecten, weer groter: 786 projecten, ruim 43 MWp, 1,8 maal zoveel projecten, en 1,7 maal zo grote capaciteit, Alleen het systeemgemiddelde binnen dit segment, 55 kWp per project was - marginaal - lager dan bij de voorjaars-ronde.

Grafieken per vermogens-klasse

Voor een gedetailleerder beeld van de verdeling van de beschikte PV projecten over de vermogens-klassen, heb ik twee grafieken gemaakt. De eerste voor de aantallen projecten voor beide SDE 2016 rondes:

Aan de linkerzijde de beschikkingen voor SDE 2016 ronde I, aan de rechterzijde ronde II. Van links naar rechts, oplopend, vermogenscategorieën van 15 kWp tot 50 kWp, tot en met de laatste met beschikte projecten groter of gelijk aan 10 MWp. Duidelijk is te zien dat de tweede ronde in alle opzichten hogere aantallen beschikkingen in alle grootte categorieën heeft "gescoord". De grootste categorie in de voorjaars-ronde was voor projecten met een capaciteit van 50 tot 100 kWp (totaal 246 projecten beschikt), met de opvolgende en de voorgaande categorieën in de voetsporen. Bij de najaarsronde was het met de aantallen beschikkingen categorie 100 tot 200 kWp die vooraan kwam te staan (497 beschikkingen), en aflopend de twee kleinere categorieën. Opvallend is het relatief geringe aantal beschikkingen in de categorie 300 tot 400 kWp in de najaars-ronde ("dip" in de grafiek). Maar nog steeds was het aantal een factor 2,3 maal zo hoog dan in de voorjaars-ronde. Uniek in de Nederlandse historie zijn de 12 beschikkingen voor projecten vanaf 10 MWp. Zelfs onder SDE 2014 is dat niet voorgekomen, daar hadden slechts 4 beschikte projecten een dergelijke grote omvang. Daarvan is tot nog toe alleen nog maar Sunport Delfzijl, wel met maar liefst 30,8 MWp, gebouwd.

Een compleet ander beeld zoals getoond in de eerste grafiek voor de aantallen beschikkingen, toont dit exemplaar met de totale capaciteit toegekend vermogen per grootte categorie. De volgorde is hetzelfde, maar de hoogte van de kolommen is compleet anders, en anders verdeeld. Er is een zeer groot verschil tussen de twee SDE rondes te zien, met relatief lage volumes voor zo'n beetje alle categorieën in de voorjaars-ronde, links (totaal beschikt: ruim 178 MWp). En soms "exceptioneel" hoge volumes in de najaars-ronde, rechts (totaal beschikt: bijna 971 MWp, een historisch record). Het grootste volume capaciteit viel in de voorjaars-ronde in de categorie van 100 tot 200 kWp (28 MWp). In ronde II lag dat ook op een relatief hoog niveau (68 MWp, bijna 2 en een half maal zo hoog). Maar er waren nog eens vier andere categorieën die (fors) hoger scoorden in die ronde: 400 tot 500 kWp (93 MWp), 1 tot 2,5 MWp (104 MWp), 2,5 tot 5 MWp (80 MWp), en, als totaal alles dominerend, de hoogste project categorie groter of gelijk aan 10 MWp, met een spectaculaire 393 MWp voor de daar in besloten, slechts 12 project beschikkingen. De grootste daarvan, 103 MWp Sappemeer, heb ik met het rode streepje weergegeven, om aan te geven wat voor enorme impact slechts 1 zo'n monster project heeft op de overige statistieken.

Even wat namen noemen van grotere / byzondere spelers in SDE 2016 ronde II

Als je de RVO lijst door browst kom je van alles tegen, met een doorsnede dwars door de samenleving. Veel scholen, gemeentelijk vastgoed, veel middenstand, maar ook vreemde namen waar je nog nooit van hebt gehoord. En, een toenemende categorie, qua impact: gespecialiseerde projectontwikkelaars. En, dat lijkt een relatief nieuw segment, een behoorlijke portfolio aan beschikkingen voor vastgoed eigenaars en - ontwikkelaars. Ik geef u hier onder een beslist niet uitputtend lijstje met enkele opvallende namen die ik tegenkwam. U kunt zelf de lijst bekijken op het voorkomen van talloze andere interessante spelers in deze - mbt toegekend PV vermogen - record SDE ronde. Ik geef daarbij de capaciteit die is toegekend en het aantal beschikkingen, zoals die verschijnt wanneer je op naam sorteert. Daarbij kunnen best wel vergelijkbare projecten over het hoofd zijn gezien voor dezelfde speler, als de naam van de beschikkinghouder anders is geformuleerd, of als het bijvoorbeeld een anders-luidende dochter onderneming o.i.d. betreft. Ik pretendeer hier niet om volledig te zijn, dat is ook vrij zinloos. Bij dezen het resultaat van een cherry-picking ronde van de hand van Polder PV:

  • Zeer succesvol PV ontwikkelaar, bekend van de voorganger, het aan HVC verkochte Horizon NRG, nu Zon Exploitatie Nederland (en Holding) B.V.: 35 beschikkingen met maar liefst ruim 66 MWp (!) aan capaciteit binnen SDE 2016 ronde II. In totaal heeft dit bedrijf sedert SDE 2009 maar liefst 141 beschikkingen weten te verzilveren, goed voor een project volume van ... 121 MWp! Een deel van de projecten is kennelijk weer van Horizon NRG overgenomen, gezien de tenaamstellingen en de oude beschikkingen. Onder Horizon NRG zijn nog 34 oudere project beschikkingen terug te vinden, met een gezamenlijk vermogen van 3,2 MWp.
  • Ook een succesvol PV ontwikkelaar (met lease als basis model) Rooftop Energy (Waddinxveen): 11,4 MWp met 31 (!) beschikkingen. In totaal heeft het bedrijf op naam al sedert SDE 2014 62 beschikkingen staan, met een cumulatief vermogen van 19,4 MWp
  • Nederlandse dochter van beroemde Duitse PV project ontwikkelaar, F&S Solar Holding: 2,6 MWp, 11 beschikkingen
  • PV project ontwikkelaar Ecorus (NL dochter van, van origine, Belgisch project ontwikkelaar): 5 beschikkingen met 14,5 MWp, waar onder zonneparken de Vaandel (Heerhugowaard) en Noordveen (Zutphen)
  • Hors categorie wat impact betreft, de van talloze enorme boerderij daken met zonnepanelen bekende ontwikkelaar Herbo Groenleven uit Heerenveen, heeft bij haar opschaling naar "het verdere grote werk", de hand weten te leggen op beschikkingen voor vijf grondgebonden zonneparken in Steenwijk (Ov.), Oudeschoot en Oosterwolde (Fr.), Tynaarlo (Dr.), en Middelburg (Zld). Waarbij een beschikte capaciteit van, in totaal, ruim 168 MWp is getoucheerd (goed voor een maximaal haalbaar bedrag van 180 miljoen Euro exploitatie subsidie over een periode van 15 jaar...)
  • Nieuwe (?) ontwikkelaar Softs Power B.V.: 2,2 MWp met 13 beschikkingen
  • Energieleverancier Eneco (Solar, Bio Hydro off-shoot): bescheiden portfolio van 4 beschikkingen, ruim 1 MWp
  • Idem, ENGIE (voorheen GDF-Suez): 4 beschikkingen, 11,3 MWp, waaronder drie grote projecten bij gascentrale Burgum (Fr., 5 MWp), bij de gigantische Eemshaven gas centrale (Gr., 3,6 MWp), en op het schiereilandje met de IJsselcentrale (Fl., 2,5 MWp)
  • Idem, HVC (afval verwerkend bedrijf voor div. gemeentes, en energieleverancier): 4,5 MWp met 5 beschikkingen, waarvan de grootste voor het al langer geprojecteerde Crayestein zonnepark in Dordrecht (3,5 MWp)
  • Nederlandse dochter van grootste dunnefilm PV producent ter wereld, Hanergy Global Solar Power: 6 beschikkingen met 417 kWp
  • CBRE div. dochters vastgoed ontwikkelaar: 1,5 MWp, 25 beschikkingen
  • Vastgoed ontwikkelaar Hoorne B.V.: 2,9 MWp met 21 beschikkingen
  • Vastgoed ontwikkelaar Leeyen: 10 MWp, met 7 beschikkingen
  • Industrieel vastgoed ontwikkelaar Prologis Realty (HQ in USA): 8 beschikkingen, totaal 8 MWp
  • Custodian Vesteda Fund (div.), grootste NL-se woning belegger: 913 kWp, 13 beschikkingen
  • Investeringsfonds Ponooc B.V.: 7,6 MWp verdeeld over 29 beschikkingen
  • Zeer actieve Lidl supermarkt keten: 16 beschikkingen met bijna 2 MWp. In totaal heeft Lidl vanaf een 1e exemplaar voor SDE 2011 in totaal nu 39 SDE beschikkingen weten te verkrijgen, goed voor een cumulatieve capaciteit van 5,3 MWp
  • PV beschikkingen voor gemeentes (naam daar mee beginnend): 21 MWp, 178 beschikkingen. Amsterdam claimt daarvan 1,7 MWp, het autonome Havenbedrijf daar nog eens 3,4 MWp (totaal 5,1 MWp, 18 projecten). Rotterdam claimt van totaal gemeentes 3,1 MWp (17 beschikkingen). Utrecht claimt 1,2 MWp (10 beschikkingen). Opvallend: Woerden, met 12 beschikkingen claim op 1,9 MWp, en Hilversum, met 8 beschikkingen voor bijna een halve MWp.
  • College van Bestuur VO Haaglanden / scholen: 5,8 MWp, 20 beschikkingen
  • SPCPO Chr. scholengemeenschap Capelle- en Krimpen ad IJssel: 1,4 MWp met 9 beschikkingen
  • idem, BLICK op onderwijs, zelfde gemeentes: 2 MWp met 10 beschikkingen voor scholen
  • Stichting Epilepsie Instellingen NL: 16 beschikkingen (met name voor instellingen in Cruquius, NH), totaal 1,1 MWp
  • Diverse energie coöperaties: minimaal 6 MWp, 18 beschikkingen (namen beginnend met "Coöperatie...", meer in de lijst onder afwijkende namen)
  • Koninklijke Ahold Delhaize: 3 grote projecten, totaal 6,2 MWp, waarvan de grootste, voor het distributie centrum in Tilburg, een 4,4 MWp grote beschikking heeft (!).
  • PWN Waterleidingbedrijf Noord-Holland: 11 beschikkingen met in totaal 4,8 MWp (steeds meer water- en rioolwater zuivering instanties gaan zonneprojecten exploiteren op eigen grond en gebouwen)
  • Postnl Real Estate: 4 beschikkingen met 1,3 MWp. Tot nog toe sedert SDE 2013: 19 beschikkingen, goed voor 6,7 MWp
  • Ook al van SDE 2014 bekend, actief Landbouwexploitatiebedrijf Cornelissen: 4 forse beschikkingen, met totaal 3,8 MWp
  • Wagenborg Passagiersdiensten, bekend van de ferries naar de Waddeneilanden: 12 beschikkingen voor bijna een halve MWp, voor bedrijfsgebouwen aan de kades op het vasteland, en op de eilanden Ameland en Schiermonnikoog
  • Warmtebedrijf Ede (!): 8 gelijke beschikkingen, totaal 1,3 MWp, allen in Ede
  • Interessant (niet vaak genoemd in context solar): een islamitische basisschool en stichting, in Maastricht, en Ede (totaal 113 kWp)
  • Byzonder: Leger des Heils: 7 beschikkingen, goed voor bijna een halve MWp
  • Byzonder industrieel project bij Stichting Zeeland Refinery, wat aan de Luxemburgerweg in Nieuwdorp, Zeeland, een beschikking voor bijna 12 MWp heeft weten te verzilveren. De lokatie bevat een raffinaderij voor de productie van fossiele brandstoffen en chemicaliën. De vraag is hoe het geïmplementeerd gaat worden (groot plat dak complex aanwezig, maar waarschijnlijk veel te klein voor die beschikking? Grondgebonden project?)
  • "Anonieme" beschikkingen (vaak vanwege herleidbare naam tot 1 persoon): 84 MWp, 289 stuks (NB: in de voorjaars-ronde waren er 118 anonieme beschikkingen, met 20 MWp).

Binnen mijn eigen gemeente Leiden blijft het allemaal een beetje een trieste boel. Er zijn een tiental beschikkingen door verschillende organisaties geïncasseerd in de najaars-ronde van SDE 2016, elk groter dan 50 kWp. Het grootste project is voor de Mythylschool, met een beschikt volume van 241 kWp. Ook een project van Rooftop Energy (222 kWp), en voor het Da Vinci college (184 kWp) staan op de rol. De Mythylschool zou veruit het grootste PV project van Leiden kunnen worden. Tot nog toe is dat, met de hakken over de sloot, nog Nieuwe Energie op het voormalige Nuon terrein, met bijna 75 kWp. Er is potentieel genoeg in Leiden. Wie gaat de kar trekken?

Eerdere artikelen over SDE 2016:

Record capaciteit beschikt PV vermogen in een SDE ronde: SDE 2016 ronde II (28 jan. 2017)

Progressie "officiële" cijfers SDE regelingen RVO - oktober update (16 nov. 2016, incl. update status SDE 2016 ronde I)

SDE 2016 ronde 2, deel 3 - eerste detail cijfers fases (2 nov. 2016)

SDE 2016 ronde 2 - gecorrigeerde Kamerbrief (!) (2 nov. 2016)

SDE 2016 ronde 2 - wederom absurde overtekening inclusief 5 fossiele "bijstokers" (2 nov. 2016)

Halfjaar update SDE regelingen RVO laat positieve en minder fijne zaken zien (10 aug. 2016)

Bron:

Feiten en cijfers SDE(+) (RVO site, update 27 jan. 2017)


 
^
TOP

28 januari 2017: Record capaciteit beschikt PV vermogen in een SDE ronde: SDE 2016 ronde II. Na lang wachten is dan eindelijk afgelopen vrijdag een lange lijst beschikkingen gepubliceerd bij RVO voor ronde II ("najaarsronde") van de SDE 2016 subsidie regeling voor stimulering van projecten die (verondersteld) energie uit hernieuwbare bronnen zouden gaan produceren. Er is een record volume van bijna 971 MWp aan PV projecten voorzien van een subsidie beschikking. Het is echter géén record wat het aantal toegekende projecten betreft (dat was SDE 2014, de enige "ronde" in dat jaar). Wat ook al aangeeft dat het gemiddelde systeem vermogen wat is toegekend alweer verder is gestegen: de projecten worden gemiddeld genomen steeds groter. Uiteraard is een belangrijke "driver" van het beschikte vermogen de toekenning van subsidie aan minimaal 17 grote grondgebonden project plannen, met een gezamenlijke capaciteit van bijna 404 MWp. Polder PV gaat in dit eerste artikel dieper in op de kenmerken van de beschikte volumes voor PV projecten, en vergelijkt deze met de eerste ronde voor SDE 2016. Ook wordt kort ingegaan op de status van de thermische zonne-energie projecten.

Thermische zonne-energie SDE 2016 ronde II

Om met dat laatste te beginnen, ik trap af met het vaak over het hoofd geziene "kleine zusje van PV", thermische zonne-energie. Voor deze modaliteit, de "grotere zonnecollector projecten" die onder SDE 2016 ronde II zijn toegekend, is de oogst mager. In deze "najaars"-ronde (II) werden slechts 17 van de aangevraagde 25 projecten toegekend. Wat gepaard ging met een (maximaal voor subsidie te installeren) thermisch vermogen van slechts 17,3 MWth bij de toekenningen, waar 29 MWth was gevraagd. Het systeemgemiddelde kwam daarmee bij de toekenningen op 1,0 MWth per project, terwijl dat bij de aanvragen nog 1,2 MWth was. In de eerste SDE 2016 ("voorjaars"-) ronde werd nog voor 45 MWth aan capaciteit bij 33 projecten toegekend, resulterend in een systeemgemiddeld vermogen van 1,4 MWth per project. Hier is dus duidelijk een tegenvallend resultaat te zien, ondanks toegenomen druk vanuit de zonne-energie sector om ook voor het "ondergeschoven kindje" genaamd thermische zonne-energie groei te forceren.

Het grootste toegekende thermische ZE project binnen SDE 2016 ronde II is voor Verdel Orchideeën B.V., wat een project voor 5,25 MWth heeft aangevraagd voor haar vestiging in Nieuwveen (Zuid-Holland, vlak bij de grens met Noord-Holland) en beschikt kreeg. Met een maximaal haalbare subsidie van 4,3 miljoen Euro uit te keren over een periode van 15 jaar (afhankelijk van performance, energieprijs ontwikkeling, etc.).

Zonnestroom projecten SDE 2016 ronde II

In onderstaande tabel heb ik enkele basis kenmerken voor SDE 2016 ronde II voor PV project aanvragen en beschikkingen (gele kolom) afgezet tegen de ontwikkeling bij de eerste ronde voor die jaargang.

Het "verkeerde record"

Zoals in bovenstaande tabel is weergegeven, zijn er 2.047 van de oorspronkelijke 4.431 PV project aanvragen voorzien van een beschikking van RVO. Dit is, heel mooi, een grote hoeveelheid, maar beslist geen record. In SDE 2014 (slechts "een ronde") werden van de oorspronkelijke 3.715 aanvragen in eerste instantie (!), bij een totaal budget van "slechts" 3,5 miljard Euro (voor alle opties incl. PV), namelijk maar liefst 2.973 projecten toegekend, en dat is maar liefst 45% méér (!)††. De toewijzing bij de aantallen was 80% t.o.v. aangevraagd, bij de vermogens was echter "maar" 883 MWp toegekend, en minimaal 1.347 MWp aangevraagd, score plm. 66%). Bij SDE 2016 ronde II is de toekenning bij het aantal (2.047 van 4.431) in eerste instantie slechts 46% geweest. En bij de toewijzing van capaciteit voor PV (971 van 2.439 MWp aangevraagd) zelfs maar 40%. Het is wat dit betreft dan ook rondweg bizar te noemen dat in het nieuwsbericht van het Ministerie van Economische Zaken van vandaag nota bene werd gesteld "Opvallend is het grote aantal projecten voor zonne-energie, met maar liefst 2047 het hoogste aantal ooit". Dat is helemaal niet waar, zoals uit bovenstaande blijkt, maar het werd meteen nagekwaakt door kennelijk niet de cijfers checkende journalisten... (o.a. hier).

Dit laat natuurlijk onverlet, dat er zelfs van het aantal beschikkingen sowieso heel erg veel zijn afgevallen in voorgaande regelingen (laatste overzicht van Polder PV op 16 november 2016), en er beslist ook van de huidige SDE 2016 regelingen nog wel het een en ander zal gaan verdwijnen. Ook de najaarsronde toekenningen van SDE 2016 zullen, helaas, deels dat lot tegemoet gaan. Ik kom later nog terug op de oudere regelingen binnen de SDE.

Snel na een eerste kamerbrief werden nieuwe cijfers in een niet als zodanig geoormerkte "gewijzigde versie" gepubliceerd. De hier weergegeven cijfers geven de stand van zaken na de wijziging weer.

†† Ik refereer hier aan de "SDE+ regelingen" sedert SDE 2011. Uiteraard werden nog hogere records in de eerste drie voorloper regelingen, SDE 2008 tm. SDE 2010 behaald, waarbij nog residentiële installaties - bij duizenden - werden toegekend. SDE 2008 was de "feitelijke record houder" m.b.t. aantallen (oorspronkelijk) beschikte projecten: 8.033 stuks. Maar een aanzienlijk deel daarvan was al in mijn voorlaatste revisie door de virtuele papier shredder gehaald door RVO. Slechts 4.673 beschikkingen van die eerste SDE regeling zijn daadwerkelijk benut. Een miezerige score van slechts 58% van het totaal aantal beschikte projecten (zie tabel voor overzicht, status 11 okt. 2016).

Het is trouwens niet de eerste keer dat er een cijfer blunder in een publicatie van EZ stond omtrent de SDE regeling. Ook in een kamerbrief over de resultaten van de eerste SDE 2016 ronde reed het ministerie een scheve schaats m.b.t. zonnestroom. Zie de laatste paragraaf, "Blundertje van EZ", in mijn artikel van 12 mei 2016.

Systeemgemiddelde capaciteit neemt verder toe

Uit de RVO data kunnen we ook de systeemgemiddelde capaciteit van zowel het aantal aanvragen als het beschikte volume bepalen. Dat was voor de najaarsronde 550,4 kWp, voor de voorjaarsronde 361,5 kWp. En voor de in eerste instantie beschikte volumes waren dat 474,2 kWp (najaar), resp. 215,4 kWp (voorjaar). Ten eerste is daar aan al te zien dat er een fors lager project gemiddelde over blijft bij de toekenningen (er vallen relatief veel "grote project aanvragen" uit). Ten tweede: de najaars-ronde laat desondanks een fors hoger gemiddeld project vermogen zien dan de voorjaars-ronde van SDE 2016, ook bij de overgebleven toewijzingen. Ruim dubbel zo hoog. Deze trend is al jaren zichtbaar: er stromen steeds meer grote PV project plannen in de SDE regeling, en steeds meer worden er ook daadwerkelijk toegekend. Die stuwen het gemiddelde fors verder omhoog.

Voor de voorjaarsronde zien we, dat het beschikte vermogen wat "over" is, maar 16% is van de oorspronkelijk aangevraagde capaciteit.

In de projecten lijst, gepubliceerd door RVO is duidelijk te zien dat er een forse toename is van het aantal grote project aanvragen cq. beschikkingen. Ik kon in die flinke waslijst al snel 17 grondgebonden installatie plannen / beschikkingen identificeren, met een gezamelijk vermogen van maar liefst 404 MWp. Dat is meer capaciteit dan er tot en met 2012 stond geaccumuleerd aan PV capaciteit in ons land volgens de CBS cijfers. Het grootste park in die verzameling is het al eerder genoemde Sappemeer project van Powerfield (103 MWp), en Solarpark Scaldia bij Vlissingen (55 MWp). Diverse andere grote park projecten, die ik al soms lang in mijn "pending" lijst had staan, staan daar ook bij. Genoemde 404 MWp is maar liefst 42% van de totale toegekende PV-capaciteit. En daarmee begint weer een ander gevaar om de hoek te loeren: áls er iets onverhoopt mis zou gaan met een of enkele van die grote projecten, wat beslist niet is uit te sluiten, zal er meteen een hoop capaciteit niet worden gerealiseerd. Een nieuwe "risico" element bij de implementatie bij de SDE regelingen, óók bij zonnestroom.

Rechts in de tabel heb ik voor vier stelposten de ratio tussen de waarden voor de najaars-ronde t.o.v. die voor de voorjaars-ronde van SDE 2016 bepaald. Waaruit blijkt dat op alle vlakken die tweede ronde een fors hogere impact heeft gemaakt bij zonnestroom, dan in de eerste ronde dat jaar. De factor is 1,4 maal zo groot bij het aantal project aanvragen, tot zelfs een factor 5,4 maal zo hoog bij de toegekende capaciteit in de najaars-ronde.

Wel een record: toegekende PV-capaciteit

Ook uit de tabel zien we dat er wel degelijk een nieuw historisch record is gevestigd, namelijk bij het in eerste instantie toegekende vermogen aan PV projecten. Was het vorige record in een SDE regeling nog bijna 883 MWp voor de SDE 2014 (waar we nu nog - forse - realisaties van regelmatig voorbij zien komen). Is dat voor SDE 2016 ronde II nu opgekrikt naar een spectaculaire 971 MWp, bijna 10% meer. Ik wil hierbij benadrukken, dat het hierbij om een (deel-) budget van 5 miljard Euro is gegaan (waar alle technieken om moesten "knokken"), de eerste ronde kon maximaal 4 miljard Euro verzilveren (voor overzicht alle SDE budgetten zie grafiek in dit artikel). Ten tweede, is de maximaal haalbare (schandalige !!) subsidie voor biomassa bijstook in steenkolen centrales inmiddels "volgeboekt", er mag niks meer bij (zie ook mijn tweet daarover: 3,6 miljard (!) Euro naar eenmalige verbranding van buitenlandse houtsnippers...). Dit betekent, dat zonnestroom in de komende twee rondes onder SDE 2017, met mogelijk in totaal maar liefst 12 miljard Euro subsidie roompotten, maximaal kan gaan uitpakken, als er massaal - uiteraard alleen met goede projecten - zal worden ingeschreven. Mogelijk zou er dan zelfs per deel ronde ver over 1 GWp aan capaciteit geclaimd kunnen gaan worden, als er niet teveel competitie vanuit andere technologie platforms gaat komen (bijv. wind op land, grote biomassa ketels in de industrie, e.d.). Het mag duidelijk zijn, dat zonnestroom wat dat betreft weer een enorme verdere versnelling kan gaan krijgen, bovenop alle andere activiteit die er al is in de markt. Het gaan drukke tijden worden voor de zonnestroom sector.

We kunnen natuurlijk wel de SDE 2016 rondes I en II bij elkaar optellen, waardoor er zelfs 2.878 PV beschikkingen, en een spectaculair volume van maar liefst 1.150 MWp beschikt vermogen resulteren (met een systeemgemiddelde capaciteit voor de hele SDE 2016 regeling van 400 kWp/project tot gevolg). Maar we moeten daarbij niet vergeten, dat het dan om een al absurd "jaarbudget" van 9 miljard Euro voor de hele regeling is gegaan. Dat is natuurlijk slecht te vergelijken met het "magere" budget van 3,5 miljard Euro waar de vorige record regeling, SDE 2014, met 883 MWp oorspronkelijk beschikt vermogen, het mee moest doen. Voor SDE 2014 kom je dan op een "score" uit van 252 MWp beschikt PV vermogen per miljard totaal subsidie budget in een jaar tijd. Voor SDE 2016 (twee rondes) op slechts 128 MWp beschikte capaciteit per miljard Euro totaal budget in dat jaar. Ergo: ook in dat opzicht feitelijk "een verslechtering" van de relatieve prestatie bij de toewijzingen. Al moeten we daarbij meteen stellen dat SDE 2014, door de enorm lang voortslepende toekennings-periode ook weer "een unieke regeling" is geweest...

Maximaal haalbare te subsidiëren energie productie en subsidies

Met alle projecten in SDE 2016 ronde II bij elkaar gaat er maximaal een volume van 922 GWh in 15 jaar worden gesubsidieerd. Dit komt overeen met een energie productie van ruim 3,3 petajoule in die periode van 15 jaar, en ongeveer 221 Terajoule te subsidiëren energie uit zonnestroom per jaar over die periode. Over 15 jaar gaat het om een maximaal haalbaar subsidie bedrag van 988 miljoen Euro. Voor SDE 2016 ronde I waren deze getallen 169 GWh in 15 jaar / 0,6 PJ, resp. 41 TJ per jaar over een periode van 15 jaar. En een maximale subsidie van 172 miljoen Euro over genoemde periode.

Bij elkaar gerekend zou SDE 2016 maximaal 1,09 TWh cq. 3,9 PJ in 15 jaar gaan opleveren aan - te subsidiëren - zonnestroom (mogelijk meer als er stelselmatig groter gebouwd gaat worden dan beschikt is...). De zonnestroom sector kan alleen voor de SDE 2016 een maximale subsidie voor een bedrag van 1,16 miljard Euro tegemoet gaan zien aan projecten achter een grootverbruik aansluiting.

Grafiek

De primaire data voor de twee rondes binnen SDE 2016 heb ik voor zonnestroom voor de goegemeente hier onder in een grafiek uitgezet.

Polder PV zal meer over de nieuwe feiten gaan uitdiepen in vervolg artikelen.

Duurzaam opgewekte energie groeit, aandeel zon steeds groter (nieuwsbericht MinEZ dd. 27 jan. 2017, met foute "record" melding)


 
^
TOP

12 januari 2017: Minder groei gecertificeerde zonnestroom capaciteit CertiQ december, EOY 2016 net geen 400 MWp. In december zijn met de voorlopige nieuwe cijfers van CertiQ netto 100 nieuwe gecertificeerde PV projecten toegevoegd met een gezamenlijk (netto) vermogen van 13,3 MWp. Daarmee bleef de eindejaars-accumulatie in de CertiQ databank net onder de 400 MWp, al kan dit cijfer later nog worden bijgesteld. Polder PV analyseert het laatste maandrapport van 2016 op diverse aspecten.

Ten eerste, in grafiek-vorm, de progressie van de netto nieuwbouw van het aantal bij CertiQ geregistreerde gecertificeerde PV projecten, zoals weergegeven in de maand rapportages.

De grafiek geeft de netto groei (of: afname) van het eind van de maand bij CertiQ "netto" geregistreerde aantal gecertificeerde PV projecten weer. Deze vertoonde - soms zeer forse (-449 in jan. 2014) - negatieve groeicijfers, in de periode dat de vaak al vele jaren bestaande projecten in 2013-2014 moesten "her-registreren" (vanwege wettelijke voorschriften). Dit is weergegeven in blauwe cijfers onder de X-as. Maar ook lange tijd daarna, tot ver in 2015, bleef het "onrustig" bij de netto balans aan het eind van de maand. Netto toenames bij de aantallen wisselden af met netto afnames. Vanaf mei 2016 leek eindelijk de rust weergekeerd, en hadden we weer 5 maanden achter elkaar continu positieve netto bijbouw wat aantallen installaties betreft. Wat altijd het verschil is tussen het volume aan in die periode bij CertiQ geregistreerde nieuwe projecten minus de daar (om wat voor reden dan ook) weer uitgeschreven (meestal oude?) PV installaties. In het oktober 2016 rapport werd voor het eerst in langere tijd weer een - bescheiden - netto "verlies" van 11 PV projecten vastgesteld. Wel direct volgend op september, toen er een "respectabel" aantal van netto 289 nieuwe installaties werden toegevoegd. November liet gelukkig weer een stevige groei van - netto - 202 nieuwe installaties zien, december de helft, met netto 100 nieuwe projecten.

De door Excel berekende (donkerblauwe) trendlijn in de grafiek is een vierdegraads polynoom.

In deze grafiek in rood de complete reeks vanaf 2003, met forse schommelingen in de netto toegevoegde aantallen gecertificeerde PV projecten per maand. De eerste SDE regelingen (start SDE 2008 bij vertikale zwarte streepjeslijn) hadden pas laat effect. Pas in 2009 begonnen, na een zeer lange periode van "stand-still" in de Nederlandse markt, meestal kleine residentiële, onder SDE 2008 en SDE 2009 gesubsidieerde projecten bij CertiQ "binnen te komen", en die groei ging nog door tot ver in 2011. Met een "historisch piekje" in mei 2011, toen er netto 412 PV projecten in een maand bij kwamen (apart gemarkeerd punt). Maar sinds residentiële projecten binnen de "nieuwe structuur onder SDE+" de facto (bijna) onmogelijk zijn geworden met de nieuwe ondergrens van 15 kWp per installatie, en, vanaf SDE 2012 zelfs met verplichte grootverbruik aansluiting, is er wat de nieuwe aantallen betreft fors de klad in gekomen. Sedert 2012 stromen er vooral slechts relatief weinig "grote" projecten onder de SDE "+" regimes in, bij CertiQ. En de her-inschrijvings-operatie van de bestaande projecten in 2013-2014 heeft ook zijn "sporen" nagelaten in deze statistiek. Heftige schommelingen tussen positieve en negatieve netto groei per maand waren het gevolg. En ook al lijkt de trend de laatste tijd gemiddeld genomen weer positief, negatieve uitschieters blijven voorkomen (oktober 2016). November 2016 gaf echter weer een relatief forse netto groei te zien, december de helft minder.

De gele curve laat de door CertiQ gepubliceerde eindstand van het totaal aantal geregistreerde PV projecten per maand zien. Na een tijd van "stand-still" en zelfs licht "negatieve groei" (artificieel vanwege benodigde her-registratie van de projecten) in 2014, is de draad weer opgepakt, en is er gemiddeld genomen weer positieve groei bij de (geaccumuleerde) aantallen. Na het kleine dipje in het oktober 2016 rapport (netto licht negatieve groei bij aantallen), laat de samenvatting van de data sinds november weer een nieuw accumulatie record zien (apart gemarkeerd in de grafiek): eind december voorlopige "eind"stand 2016 12.532 PV projecten.

Steevast zijn er in het afgelopen jaar forse (netto) nieuw toegevoegde capaciteiten bijgeschreven in het CertiQ register, met een tijdelijk wat minder spectaculaire periode in maart tm. juni. Na de (bijna) "record" nieuwe volumes in oktober en november, 21,0 MWp elk, deed december het iets rustiger aan, met 13,3 MWp netto nieuwe capaciteit erbij. Dat betekent, dat er met de huidige stand van zaken, in het kalenderjaar 2016 gemiddeld genomen 15,9 MWp netto nieuw vermogen per maand is bijgekomen (horizontale stippellijn). Dit was in de periode januari 2010 (1e SDE regelingen eindelijk relevante effecten sorterend op het gebied van nieuwe capaciteit) tot en met eind 2016 gemiddeld slechts 4,5 MWp/maand. 2016 lag dus een factor 3,5 boven die langjarige trend bij CertiQ. En december 2016 deed het, ondanks de "terugval" t.o.v. de vijf maanden daarvoor, ook bepaald niet "slecht". Met bijna 3 maal zoveel nieuwe capaciteit nieuw in een maand er bij, t.o.v. genoemd langjarig gemiddelde. Concluderend: in 2016 is er een substantiële, en langdurige groei van nieuw PV vermogen geweest, veel hoger dan in voorgaande jaren (de hoge groei begon pas in juli 2015). Waarvan het overgrote deel resulteert uit implementaties van SDE beschikkingen (met name SDE 2014). Het gevolg voor de accumulatie van de gecertificeerde PV capaciteit zien we in het volgende plaatje:


NB: in titel voorkomende "EOM" staat voor "End Of Month".

De groei van het CertiQ dossier lijkt al langere tijd onstuitbaar, ook met de t.o.v. de voorgaande maanden "relatief bescheiden" toevoeging van het resultaat uit het december 2016 rapport. De blauwe stippellijnen geven het overschrijden van de 100 MWp grenzen aan. Sinds het begin van de heftige groeilijn, veroorzaakt door met name de implementatie van vele honderden SDE 2014 projecten, in juni 2015 (toen accumulatie 129,5 MWp), is de gemiddelde groei 15 MWp per maand geweest. In de lange periode tot en met juni 2015 lag die groei gemiddeld genomen op slechts 1,7 MWp per maand, een fractie van het recente gemiddelde volume! In totaal stond er eind december 2016 (met de huidige, eerste update) 398,6 MWp aan gecertificeerd PV vermogen bij CertiQ in de databank genoteerd. Uiteraard staat er fysiek bezien het veelvoudige in ons land, wat nooit bij CertiQ werd geregistreerd (of, in zeer beperkte mate: daar weer is uitgeschreven). Het "definitieve" CBS cijfer voor 2015 is pas recent bekend gemaakt (1.515 MWp eindejaars-accumulatie dat jaar, EOY). Over 2016 kan alleen nog maar druk worden gespeculeerd (met nogal natte vingers). Daartoe is wel een aanzet gegeven in mijn bijdrage aan het Solar Trendrapport 2017, wat 25 januari a.s. in Driebergen zal worden gepresenteerd op de Solar Business Day (hier aanmelden).

Wel kan ik u meedelen dat alleen al in mijn single-site project register inmiddels een netgekoppeld volume is geaccumuleerd van bijna 490 MWp, en dat is een absolute bottom-line voor wat er mogelijk zou kunnen staan aan >=15 kWp installaties in ons land (er staat in werkelijkheid nog veel meer). Ergo: zelfs bij CertiQ, met bijna 400 MWp eind 2016, staan lang niet alle "grotere" PV projecten in de databank. En een deel van recent gerealiseerde (SDE) projecten ook nog niet.

Wat in ieder geval wederom duidelijk wordt aan het verloop van deze grafiek: in januari 2017 gaan we waarschijnlijk dik over de 400 MWp aan gecertificeerde zonnestroom capaciteit heen (vorige voorspelling december al 400 MWp, op basis van groeitempo juli - november, heeft het net niet gehaald).

Wat de nog voorlopige jaargroei in 2016 betreft: onder voorbehoud van mogelijk nog forse aanpassingen aan zowel het eindejaars-volume van 2015, als dat van 2016, is er met de huidige maandrapport cijfers bij CertiQ voor het kalenderjaar 2016 al 190,9 MWp netto nieuw gecertificeerd PV vermogen ingeschreven. Een record.

In onderstaande grafiek bekijken we het "gevolg" van bovenstaande twee trends, aantallen installaties, en capaciteit, voor het systeemgemiddelde van de geaccumuleerde volumes PV bij CertiQ.

Onherroepelijk gevolg van de twee geschetste trends (een relatief bescheiden toename van de accumulatie van het aantal projecten, bij een gelijktijdige forse toename van de capaciteits-accumulatie van gecertificeerde PV installaties) blijft een flinke verder toename van de systeemgemiddelde capaciteit voor geaccumuleerde volumes bij CertiQ. In de grafiek weergegeven in kWp opgesteld vermogen per installatie. De vorige record waarden zijn continu verbeterd, we zitten nu al op gemiddeld 31,8 kWp, eind 2016. Dat is meer dan het dubbele van de toegelaten "ondergrens" in de SDE "+" regelingen sedert SDE 2011 (15 kWp, blauwe stippellijn). De verwachting is, dat deze trend verder zal doorzetten, als met name de talloze grote gerealiseerde PV projecten met een SDE 2014 beschikking blijven instromen in de CertiQ database. Er is ook al een klein contingent opgeleverde SDE 2015-2016 ronde 1 installaties bekend, stuk voor stuk ook weer grotere PV projecten. Het grootste grondgebonden ("vrije-veld") project van Nederland, Sunport in Delfzijl (ruim 30,8 MWp), en 7 MWp in Garyp (zou in januari 2017 opgeleverd kunnen gaan worden), beiden met SDE 2014 beschikking(en), zitten nog niet in deze CertiQ cijfers. Dus we kunnen verwachten dat, zodra Sunport is toegevoegd, er meteen een forse toename van het project-gemiddelde vermogen te zien zal zijn in deze continu ververste grafiek. Als ook Garyp zal worden toegevoegd, zou het gemiddelde over alle projecten mogelijk in totaal zo'n 3 kWp/project meer kunnen gaan worden. Het systeemgemiddelde in de CertiQ databank is sedert begin 2010, toen er nog heel veel kleine residentiële installaties werden toegevoegd, al met een factor 5,5 toegenomen.

Bij de garanties van oorsprong is nu voor de vierde achtereenvolgende maand (tot nog toe) minder productie van de geregistreerde PV capaciteit vastgelegd (blauwe curve). Na het record van juli 2016 (32,9 GWh), is het niveau in het december rapport terug gezakt naar 10,7 GWh in de maand november (laatst bekende gegevens). Deze data zullen later nog worden bijgesteld, omdat nog lang niet alle data binnen zullen zijn bij CertiQ. Bovendien lopen ze een maand achter op de cijfers voor de accumulatie van de capaciteit (magenta curve). Maar dat ze veel hoger liggen dan een jaar geleden, is kristalhelder. De "certificaten productie machine" is, door de snel toegenomen, zwaar door SDE subsidies gedreven gecertificeerde PV capaciteit, op volle toeren gegaan. Alleen zakt deze uiteraard nu tijdelijk weer in, omdat er in de winter nu eenmaal fors minder stroom wordt geproduceerd dan in de zomer. Een "natuurlijk" fenomeen van PV, omdat zonnepanelen direct reageren op zonlicht. In winterse maanden is, ondanks het gunstige "bij-effect" van gemiddeld lage omgevingstemperatuur, de productie zoals gebruikelijk fors lager dan in de zomermaanden (zie mijn net voor 2016 ververste seizoenseffect diagram voor de eigen installatie). Dat komt door een combinatie van (a) vaak bewolkt weer, (b) zeer lage zonnestanden (zelfs midden op de dag), dus zeer ongunstige instralingshoek op de meeste zonnepanelen, (c) zeer korte daglengte. En (d), in steeds zeldzamer gevallen in ons land, soms tijdelijke sneeuwbedekking (dan: geen fysieke productie, tenzij een zeer dunne laag, maar dan nog: verwaarloosbaar).


Wijzigingen aantallen/vermogen bij CertiQ geregistreerde installaties en productie

Er is in december netto bezien wederom een aardige groei van het aantal "duurzame elektriciteit producerende" installaties te zien t.o.v. het november rapport van CertiQ. Die werd bijna uitsluitend "gedragen" door de (netto) toename van 100 PV projecten (en een groei van 13,3 MWp nieuwe netto PV capaciteit, +3,5%). Maar er kwamen ook netto weer 2 afvalverbranders bij (AVI's), die maar liefst (netto) 142 MW toevoegden (groei 21,8% !). Ook kwam er netto wederom 1 windturbine project bij, met een gelijktijdige netto capaciteits-toename van 9,3 MW (groei 0,2%).

Er waren tegelijkertijd ook (grote) verliezers: netto 7 vergisters minder, wat echter bij elkaar slechts een verlies van netto 4,3 MW vermogen opleverde (-2,4%). De grootste klap kwam in de categorie "biomassa overig", die met netto 1 installatie minder een spectaculair verlies van (netto) 143,5 MW gaf te zien (-34,2%).

De balans bij de vermogens (alle plussen en minnen optellend) resulteerde in een netto toename van 95 installaties "duurzame" capaciteit (+0,7%). Terwijl de geaccumuleerde productie capaciteit tegelijkertijd met 16,8 MW toenam (+0,2%). Bekijken we de wat langere termijn: er is van de op 1 december 2013 nog bij CertiQ geregistreerde 9,0 GW "duurzaam productie vermogen" begin januari 2017 nu ruim 8,8 GW over. Deels met nieuwe installaties, en een deel van de oude capaciteit verdwenen cq. uitgeschreven bij CertiQ.

In de december 2016 rapportage bestaat, ondanks de blijvend forse groei bij gecertificeerde zonnestroom capaciteit en andere opties, maar liefst 41,6% van het geaccumuleerde vermogen uit "dubieuze" opties biomassa bijstook in fossiele steenkolencentrales (5), en AVI's ("grondstoffencrematoria", weer gegroeid naar 17). Deze twee hoge impact hebbende modaliteiten omvatten dus slechts 22 installaties! 48,1% is windturbine capaciteit, inmiddels alweer 4,5% PV vermogen (stapje voor stapje verder groeiend), en 0,4% hydropower. De restpost valt toe aan "andere" biomassa modaliteiten ("overig", vergisting, en een klein beetje stortgas), het aandeel in het totaal daarvan is weer gezakt naar 5,3%. Daarbij moet ook een relativering: opgestelde capaciteit is iets heel anders dan daadwerkelijk geproduceerde energie, en wat daarvan uiteindelijk als "duurzaam" toegewezen zal worden (of er nu discussie over is of niet).

NB: "netto" toename of afname is altijd een combinatie van het verschil tussen (nieuwe) inschrijvingen en uitschrijvingen in dezelfde maandrapportage bij CertiQ. Er kan dus "negatieve" groei optreden tussen twee maandrapportages in, ook per categorie.


Totale - gecertificeerde - productie van stroom uit duurzaam veronderstelde bronnen

CertiQ geeft op dat er, tot nog toe geregistreerd, 14.063 GWh stroom uit (verondersteld) duurzame bronnen is geproduceerd in de laatste 12 maanden tot en met december 2016 (laatst beschikbare actuele cijfer). Dat is ruim 1,2% minder dan in het november rapport werd gepubliceerd (14.235 GWh, dat was toen 2% meer dan in oktober). Goed om hier te benadrukken dat er voor het kalenderjaar 2016 nog een hoop volume bij zal gaan komen, omdat de administratieve procedures voor het verwerken van alle data lang zijn. De meeste van de duizenden particuliere PV installaties met SDE 2008 tm. SDE 2010 beschikking worden bijvoorbeeld maar een keer per jaar door de netbeheerders "bemonsterd" (gemeten), en het kan lang duren voordat die gegevens zijn verwerkt. Tot nog toe is er voor de laatste 12 maanden tot en met december 2016 300 GWh zonnestroom genoteerd (november 288,1 GWh, oktober 269,8 GWh, dus toenemend). Dat is ruim 2,1% van de totale "duurzame" productie. Wederom een tiende procent hoger dan de 2,0% in het november rapport. Enkele maanden geleden lag dat niveau nog op 1,5%, maar het percentage zal waarschijnlijk nog gaan wijzigen bij toevoeging van nieuwe data voor alle bronnen.

Tot nog toe is er voor alleen de (laatst bekende) maand november 2016 een volume van maar liefst 1.267 GWh gecertificeerde "duurzame" productie genoteerd (veel hoger dan oktober, 982 GWh en september, 873 GWh). Waarvan, vanwege de winter, slechts 10,7 GWh (okt. 19,6 GWh, sep. 29,1 GWh) zonnestroom (aandeel terug gezakt naar 0,8%, dat was in vorige maand rapportages nog 2,0 tot 4,1%). Die hoeveelheid zonnestroom komt, bij een gemiddeld verondersteld netto verbruik van, inmiddels nog maar 2.980 kWh/HH.jr (CBS Statline data 2015, excl. eigenverbruik zelf opgewekte zonnestroom, zie analyse), neer op een equivalent van het elektra verbruik van plm. 43.000 huishoudens in die maand. Belangrijk om te blijven benadrukken, dat dit uitsluitend bij CertiQ bekende gecertificeerde opwek betreft. Het is slechts een klein gedeelte van de totale, niet bij CertiQ bekende zonnestroom productie in ons land.


Import / export GvO's

Ik laat u hier onder weer de import- en export staatjes voor garanties van oorsprong (GvO's) van CertiQ zien, met de door mij berekende aandelen per optie (percentages in geel), en per land (idem in blauw/rood, rechts), t.o.v. de totalen aan geïmporteerde resp. ge-exporteerde GvO's.

In december heeft het al langer forse hoeveelheden GvO's exporterende Italië een onmiskenbare machts-greep gedaan, en is het met 30,6% van het totaal dominante leverancier van de groene papierwaren aan Nederland geworden. En wel voor het grootste deel met papieren "mediterrane windenergie", 88% van het totale export volume naar ons land... Op veel grotere afstand volgt het het nog niet vaak op de voorgrond tredende Alpenland Oostenrijk. Wat zelfs uitsluitend hydropower GvO's heeft geleverd, 17,2% van het totale volume van in totaal 12 landen (en meer dan Noorwegen). Denemarken, vorige maand "kampioen" bij de aandelen, kwam op plaats drie, met grofweg 28% GvO's uit biomassa, en de rest uit de overmaat aan windstroom opwek in dat land. Pas op de vierde plek vinden we het zogenaamd onder vuur liggende Noorwegen, met het grootste deel de bekende "waterkracht GvO's", totaal 12%. Waar in de media de "ophef over Scandinavische sjoemelstroom" steeds breder wordt uitgemeten, verschuift het spul (lees: de inkoop van groene papiertjes) gewoon naar een ander niet-Scandinavisch land, met net zulke oude, al jaaaaaren bestaande stuwdammen. Totdat ze er op de kranten redacties achter komen dat de oude wijn in nieuwe zakken met een ander etiketje wordt verkocht aan de nog steeds van niets wetende Nederlanders ...

De enige nog noemenswaardige contribuant aan de 'ollandsche groene feestvreugde zijn onze zuiderburen, die net aan de 10% aandeel grens hebben bereikt. Met vooral "groenheid" uit hun nog niet zulke oude windturbines. Of, dat kan ook, door hen "elders" aangekochte, en door-verhandelde GvO's.

Een blijvende curiosa is IJsland, niet aan het Europese net gekoppeld, wat hydropower én geothermie GvO's doorverkocht aan ons land. Verder werden weinig zonnestroom GvO's aangekocht, slechts 25,1 GWh, 0,5% van het totaal (waarin wind met de helft domineert, gevolgd door bijna 40% waterkracht GvO's). Vreemd is ook, dat het nou niet bepaald met veel zonlicht gezegende België voor ruim 10 GWh aan zonnestroom GvO's aan Nederland (door) verkocht. Nieuwkomer Spanje heeft inmiddels een bescheiden bijdrage geleverd van 57,7 GWh aan GvO's. Neen, niet zoals u wellicht dacht, van zonnestroom centrales. Maar uit Atlantische Wind, die ook rijkelijk boven het Iberische schiereiland aanwezig is...

Het totale volume aan import van GvO's fluctueert hevig. Na een forse stijging in oktober (4,2 TWh aan GvO's geïmporteerd), ging dat opeens weer zeer stevig omlaag in november (1,4 TWh import aan GvO's, 3x zo weinig). In december is het echter weer op een hoog niveau van 5,4 TWh beland (NB: dat is equivalent aan 4,6% van het fysieke Nederlandse stroomverbruik in heel 2015, 118,4 TWh).

Over de laatste 12 maanden bezien is, zoals reeds in het november rapport gesignaleerd, met name de positie van Denemarken zeer opvallend geworden. Nog steeds blijft Noorwegen aan kop bij de export van GvO's naar Nederland, maar met stapsgewijs afkalvend aandeel (oorzaak vermoedelijk "te vaak negatief in der pers komend", discussies "sjoemelstroom" e.d.). Na een lichte gestegen aandeel van 26,0% in het totale volume wat ons land in totaal in die periode ontving (november rapport), is dat nu weer gedaald naar 25,5%. Italië is wederom, door de hier boven gerapporteerde cijfers, verder uitgelopen, met nu al 21,7% (vorige maanden nog 18,0-19,9%). Denemarken is ook verder gegroeid, van een aandeel van 12,4 (sep.) via 13,2 (okt.) en 14,5% (nov.) naar zelfs 16,3%. Zweden (8,8%) heeft inmiddels Frankrijk, waarvan de positie fors is terug gevallen naar inmiddels nog maar 8,6% (september nog 14,7%), ingehaald. De rest zit nog net boven (6,1% Finland) tot ver onder de 5%.

Nieuwkomer Spanje heeft inmiddels een half procent van het totaal te pakken.

Export

Het export plaatje voor de GvO's, al sterk vereenvoudigd de laatste maanden omdat feitelijk nog maar 2 landen die verhandelde groene "overschot" (?) papierwaren ontvingen, vindt u hierboven. Noorwegen kreeg in december niet meer alle geëxporteerde GvO's toegeschoven, maar wel het hoogste volume, dik 141 GWh, 64% van het totaal. De rest mocht weer naar België. Het totale volume, 220,4 GWh, is 76% hoger dan de 125,2 GWh aan GvO's die vorige maand uitsluitend naar Noorwegen ging (België kreeg toen niks). De ratio export / import van GvO's is in december 4,1%. Dat was de voorgaande maand nog 9,2%, maar in oktober ongeveer hetzelfde, 4,3%.

Onderaan het beeld over de laatste 12 maanden, waarbij Noorwegen weer een extra inhaalslag heeft gemaakt. Het aandeel nam verder toe, van 47,9% (nov. 2016) naar ruim de helft, 52,3% in december. Het aandeel van België daalde verder, van 54,2% (oktober) via 49,6% (november), naar 45,1% in december. Zelfs Groene Stroom Productie Kampioen Duitsland ontving in de afgelopen 12 maanden nog steeds wat export certificaatjes van ons land (2,4%). Bij dit 12 maandelijkse plaatje is het export volume, bijna 1,3 TWh, nog steeds een schim van de totale import van GvO's in dezelfde periode (36.398 GWh, voorgaande taartdiagram): 3,5%. Nederland blijft, uniek in Europa, massaal netto importeur van "papieren groenheid". Het schaamgroen staat ons op de kaken, daar helpt geen rode blos tegen...

Over de maatschappelijke discussie van de "groene certificaten" heb ik in de voorgaande bespreking reeds wat gezegd. Zie het november rapport (2016) onder het hoofdje "Veel te doen met / over GvO's", voor de inhoud en verwijzingen.


Fysieke elektriciteit stromen tussen Nederland en 4 landen Europa in 2015

Niets in gewijzigd. Zie presentatie en korte bespreking in oktober rapport.


Warmte incl. thermische zonne-energie

In het separaat verschenen "warmte equivalent" maandrapport blijken er wederom (netto) 4 biomassa projecten te zijn bijgekomen, waarmee het aantal installaties op 231 kwam. Waarvan, al een tijd lang ongewijzigd, slechts 12 geothermie projecten betreft. De totale productie-capaciteit voor de gecertificeerde duurzame energie "drager" warmte kwam op ruim 1.645 MWth, gedomineerd door biomassa installaties. Een flinke stijging van 7,8% t.o.v. de vorige update. Geothermie claimt met een bescheiden aantal gecertificeerde installaties nog steeds ruim 176 MWth, waardoor het aandeel is gedaald van 12% naar minder dan 11% van het totaal voor warmte.

De tot nog toe geregistreerde hoeveelheid (gecertificeerde) duurzame warmte, waarvoor ook door CertiQ "warmte GvO's" worden verstrekt, kwam over de laatste 12 maanden op een equivalent van 2.392 GWh (thermisch). Ruim 2% meer dan in het november rapport (2.340 GWh). Gezien dit nog "jonge" dossier, kan er nog een hoop daadwerkelijk geproduceerde energie bij gaan komen, omdat de rapportage verplichtingen vooral op het gebied van warmte complex zijn, en veel tijd kosten. Genoemde hoeveelheid duurzaam geproduceerde warmte is energetisch bezien al 17% van de bijna 14,1 TWh die in de laatste 12 maanden tot en met december 2016 uit elektriciteit "duurzaam" werd geregistreerd volgens het al jaren lang lopende equivalente dossier bij CertiQ.

(Voorgaande) analyses van maand rapportages CertiQ, door Polder PV:

2016:
December (dit artikel)
November
Oktober
Augustus-September
Juli
Juni
Mei
April
Maart
Februari
Januari

2015:
Eerste (voorlopige) jaaroverzicht 2015
December
November
Oktober
September
Augustus
Juli
Juni
Mei
April
Maart
Februari
Januari

Statistische overzichten CertiQ (extern)

Eerste afboeking Spaanse GvO's (site CertiQ, 1 december 2016, n.a.v. toetreding Spaanse CNMC tot de "Association of Issuing Bodies, AIB")


 
^
TOP

11 januari 2017: Stroef begin voor Polder PV. U had het wellicht al gemerkt, of u had het mogelijk al via Twitter vernomen. Het was een lastig begin voor Polder PV in het jaar 2017. Op oudjaarsdag wilde ik een artikel over de energiebelastingen uploaden, maar dat lukte niet. Ik kon mijn server niet bereiken. Terug gekeerd van ons oudjaar bivak (31 december / 1 januari) ging dat nog steeds niet, en toen ik mijn altijd zeer coulante, doch druk bezette provider eenmaal te pakken had, bleek dat zijn server, die in Duitsland staat, was gecrasht (op 30 december jl.). Gelukkig was een duplicaat al snel on-line, zodat in ieder geval m'n website tot en met de grote PV project update van eind december vorig jaar gelezen kon blijven worden.

Maar de mail- en website upload server onderdelen waren niet meer functioneel, en dat heeft allemaal de nodige tijd gekost. De mail server was redelijk snel weer opgetuigd, maar het heeft lang geduurd voordat ik mijn website weer van nieuwe updates kon voorzien. Ik ben ondertussen gewoon door gegaan met onderzoek doen, veel data uitvlooien, en artikelen schrijven. Deze zijn vanaf vandaag (11 januari 2017) inmiddels op m'n website toegankelijk gemaakt.

Het gaat om de volgende nagelneue artikelen en beschouwingen:

  • Energiebelastingen voor het kalenderjaar 2017 (afgerond 31 december 2016) - Cruciale cijfers die een zeer hoge invloed hebben op uw energie nota - energie belasting op elektra en op gas, in historische context, en nieuwe tarieven voor 2017. Tevens heftige toenames van de zogenaamde SDE heffing ("ODE") voor de diverse tarief groepen. In combinatie heb ik uit deze twee typen zeer verschillende soort heffingen de totale belastingdruk inclusief btw op elke (netto) afgenomen kWh resp. m³ voor kleinverbruikers berekend. Dit alles grafisch uitgewerkt voor u.
  • Verbruiks-cijfers Polder PV in 2016 (afgerond 3 januari 2017) - Cijfers over elektra verbruik en productie, kookgas-, en warmte- verbruik, en gebruik computer in 2016.
  • Bespreking PwC rapport "De historische impact van salderen" (afgerond 4 januari 2017) - Gezien de actualiteit van het thema bekeek Polder PV kritisch het PwC rapport wat aan de basis van een (politieke) evaluatie van de salderingsregeling voor zonnestroom zou moeten staan.
  • Nationale instralingsdata KNMI (afgerond 8 januari 2017) - Uitgebreide analyse van alle instralings-data van de meetstations van het KNMI in het jaar 2016, en evolutie van historische trends in het aantal zonne-uren en de fysieke horizontale instraling.
  • Zonnestroom productie Polder PV 2016 (afgerond 9 januari 2017) - De fysiek gemeten maandelijkse zonnestroom productie data van Polder PV voor het jaar 2016, vergeleken met historische data.
  • Aandelen maandproducties in jaaropbrengst (afgerond 10 januari 2017) - Belangrijke grafiek die de relatieve zonnestroom productie aandelen van alle maanden t.o.v. de jaaropbrengsten weergeeft (seizoenseffecten), aangevuld met data voor 2016.

Polder PV dankt zijn provider, Ron Hoekstra, voor de moeite die hij heeft gedaan om rond de jaarwisseling de server faciliteiten weer "in het gareel te krijgen", naast zijn al zeer drukke baan, en wenst hem en zijn familie en vrienden nog een prachtig nieuw jaar toe!

Dat geldt uiteraard ook voor de lezers van Polder PV, die wellicht met trommelende vingers hebben zitten wachten op interessant nieuws uit Leiden. Vandaar deze ietwat vertraagde jaarwisseling kaart voor u. De foto is genomen tijdens ons bivak van de namiddag van 31 december tm. de vroege middag van 1 januari, in de bossen van Schaijk (NB), ruim 10 kilometer verwijderd van "de lekkende Maas a.g.v. een boot door een stuw"... Een mooi 2017, allen!

Polder PV is alweer druk bezig aan vervolg artikelen. Houdt de website en Twitter in de gaten!


 
^
TOP

10 januari 2017: Aandelen maandproducties in jaaropbrengst: Vergelijking langjarige gemiddeldes met het laatste volledig bemeten jaar - 2016 (upload 11 jan. 2017). Zoals gebruikelijk wordt aan het begin van het nieuwe jaar deze zeer belangrijke grafiek ook weer van een update voorzien. Daarin worden de relatieve aandelen van de zonnestroom producties van elke maand op de totale jaarproductie van elk jaar bepaald in procent. Vervolgens worden over alle compleet bemeten jaren die percentages per maand gemiddeld. Hieruit volgt een grafiek die een representatief beeld laat zien van de sterk seizoensmatig bepaalde productie van zonnestroom voor het onderhavige systeem. In dit geval, de 15-16 jaar oude 1,02 kWp grote "kern" installatie van Polder PV, op het platte dak van de vierde verdieping van ons appartementen complex in westelijk Leiden (ZH).

In onderstaande grafiek de relatieve aandelen van elke maand voor het afgesloten jaar 2016 (paars), afgezet tegen de langjarige gemiddelde percentages in de hele reeks volledig bemeten jaren, 2002-2009 en 2011 tm. 2016 (geel). Voor de originele maandelijkse productie data voor dit deel-systeem in kilowatturen, zie het vorige artikel, en de tabel op de highlights pagina van Polder PV.

2016 (paars)
De eerste jaarhelft van 2016 viel vies tegen als je de relatieve productie aandelen per maand bekijkt t.o.v. de langjarige gemiddelde waardes. Na de licht tegenvallende startmaand januari was februari een stuk zonniger, en werd 0,3% gemiddeld meer productie gedraaid dan in de lange meetperiode weergegeven in de gele kolommen. Maart viel weer tegen, met juist 0,3% minder aandeel t.o.v. dat gemiddelde. April was zelfs relatief slecht, 11,3% productie van het totale jaarvolume i.p.v. de "normale" 12,1%. Ook mei haalde het langjarige gemiddelde niet. Ronduit dramatisch was het "diepte record productie" in juni, wat zich zeer duidelijk - en pijnlijk - laat zien in het opvallende, zeer lage aandeel van slechts 11,1% in de jaarproductie. Terwijl dat "normaal gesproken", inclusief die lage 2016 opbrengst, maar liefst 13,1% is. Een volle 2% meer!

Gelukkig, alsof de atmosfeer al die "ellende" in het eerste jaar had aangevoeld, werd dit alles bijna geheel weer goedgemaakt in de tweede jaarhelft. In die periode scoorden álle maanden in 2016 bovengemiddeld t.o.v. het langjarige gemiddelde, alle paarse kolommen zijn daar hoger dan de gele. Met als spectaculairste, zeer zonnige maand september, die i.p.v. "normaal" 9,5% productie van het jaar totaal nu opeens 10,4% liet zien. Ook in augustus was het verschil groot (0,8% meer dan langjarig gemiddeld), wat natuurlijk voor de totale jaarproductie in die zonnige, productieve maand een belangrijke contribuant is. Vandaar ook, dat de uiteindelijke jaar productie in 2016 niet ver is komen te liggen van de hoge productie in 2015, en dat beide jaren bovengemiddelde output hebben laten zien. Zie de analyse van instralings-data van het KNMI, en de productie gegevens van Polder PV tm. 2016.

Bij vergelijkingen van eigen productie resultaten met deze specifiek voor Polder PV systeem gemaakte grafiek dient altijd een waarschuwing in acht te worden genomen. Sterke afwijkingen van de hellingshoek, oriëntatie t.o.v. het zuiden, en microklimaat aberraties (hoge stofbelasting, of bijv. juist extra instraling indien systeem vlak bij een groot wateroppervlak staat), kunnen nogal wat impact hebben op de procentuele verdeling tussen de maanden bij andere PV installaties. Globaal zal het beeld wel vergelijkbaar zijn, maar op detail niveau kunnen beslist afwijkingen worden vastgesteld voor de eigen installatie.

Voor de steeds populairder wordende "oost-west" installaties (met name op platte daken) verwijs ik gaarne naar een prachtige, klassieke zomer(dag-)curve van zo'n systeem, die zo in een studieboek voor installateurs kan worden opgenomen (tweet Polder PV van 22 januari 2016). Uiteraard gaat het in dergelijke, al behoorlijk populair wordende installatie configuraties, om een nogal afwijkende verdeling van de productie per dag (per oriëntatie), en zal dit ook de nodige impact kunnen hebben op de productie verdeling over het jaar. Al helemaal, als dergelijke systemen niet "pal oost-west" staan, maar bijvoorbeeld, zoals ik al heel vaak heb gezien, bijvoorbeeld OZO/WNW of WZW/ONO.

U vindt een iets uitgebreidere toelichting van de ververste maand aandelen grafiek op de specifieke pagina op Polder PV:

Maandelijks aandeel van zonnestroom productie in de jaaropbrengst

 


 
^
TOP

9 januari 2017: Zonnestroom productie Polder PV 2016 (upload 11 jan. 2017). Begin van het nieuwe jaar zijn alle productie data van Polder PV bekend, inclusief die van december 2016. In dit artikel alle nieuwe data op een rij.

December 2016
De laatste maand van 2016 was behoorlijk zonnig. Ondanks haar forse leeftijd, 15-16 jaar oud, haalde ons "kernsysteem" van 10 panelen / 1,02 kWp in die wintermaand een productie van bijna 17 kWh. Daarmee komt dat jaar op de 5e plaats wat fysieke productie in december betreft, bij volledig bemeten kalenderjaren voor deze deel-installatie vanaf 2002 (delen van deze kern-installatie waren al eerder on-line, maar slechts voor een deel van het jaar). En sluit daarbij in aflopende volgorde aan bij 2008 (21,1 kWh), 2013 (20,6 kWh), 2007 (19,0 kWh), en 2005 (18,6 kWh). Allemaal jaren uit het laatste decennium. De - bescheiden - productie in december 2016 lag bijna 8% boven het langjarige gemiddelde vanaf 2002 voor die maand.

In oud rose de curve met maandelijkse opbrengsten in 2016, van het uit 10 Shell Solar panelen bestaande 1,02 kWp deel-systeem van Polder PV. In december bovengemiddeld scorend (zwarte dikke lijn = langjarige gemiddelde, hierin is dak renovatie jaar 2010 niet meegenomen). Tot oktober 2001 waren slechts 4 panelen aanwezig, vandaar de veel lagere opbrengst curves. Voor tabellarisch overzicht van de maand producties voor deze deel-installatie, sinds maart 2000, zie de "highlights" pagina op Polder PV.

In deze tweede grafiek heb ik alleen de jaren 2015 en 2016 uitgelicht en deze tegen de langjarige maandgemiddelde waarden uitgezet (zwarte curve, dit is exclusief dak renovatie jaar 2010). 2015 had een hoge opbrengst in de belangrijke, productieve maanden april tot en met augustus, waarvan april tm. juni fors bovengemiddelde waarden hebben behaald. Dit beïnvloedde het jaar resultaat in hoge mate, vandaar dat 2015 hoog scoorde op dat vlak, ondanks enkele minder presterende maanden in voor en naseizoen.

2016 verliep nogal grillig. Na een licht ondergemiddelde januari, was februari behoorlijk bovengemiddeld (doch minder dan in 2015). Na een gemiddelde maart, volgde een forse dip in april, waarbij de productie ver onder de verwachting bleef. Mei lag weer "op koers", maar de verzopen juni maand, met een dramatisch slechte, voor Polder PV sedert 2002 zelfs "historisch lage" score (zie ook eerste grafiek), zal bij de nodige mensen inclusief ondergetekende slechte herinneringen achter laten. Gelukkig keerde toen de trend, en wel een wederom "historische", maar ditmaal positieve. 6 maanden op rij werden vanaf augustus tot en met december hogere productie resultaten dan gemiddeld behaald. Waarmee 2016 toch weer zo ver bijtrok, dat het zeer dicht in de buurt van het jaar resultaat voor 2015 is gekomen (zie data verderop).

In september 2016, toen wij op fietsvakantie waren in Nederland, en het zeer warm hadden in de open Groningse polders, was het zeer zonnig. Wat zich vertaalde in een hoge opbrengst van 97 kWh voor de hier getoonde deel-installatie. Een specifieke opbrengst van 95 kWh/kWp. Instralings-specialist Siderea.nl kwalificeerde september 2016 als "extreem goede maand" voor de zonnestroom producenten, met opbrengsten "30% hoger dan normaal". Bij Polder PV was dat echter "maar" ruim 11% t.o.v. de door hem gehanteerde "normaal" (2002-2016 excl. 2010). T.o.v. de juist tegenvallende opbrengst in september 2015 scoorde deze maand in 2016 een 21% hogere productie. Toch is bovengenoemde opbrengst bij Polder PV géén record voor september. Want het topjaar 2003 had bij ons zelfs een nog extremere waarde in die vroege najaars-maand: maar liefst 108 kWh (106 kWh/kWp). Die waarde voor 2003 ligt bij Polder PV 24% boven het langjarige gemiddelde voor september in 2002-2016, exclusief dakrenovatie jaar 2010.

Kalenderjaar producties 2016

In 2016 resulteerden de maandopbrengsten voor het 1,02 kWp kern systeem in een jaar opbrengst van 929 kWh, slechts 3 kWh minder dan in het voorgaande jaar. Daarmee eindigde 2015 op een vijfde plek in de complete jaarreeks vanaf 2002. Waarbij 2010 (dakrenovatie september-oktober, systeem afgekoppeld) als "niet representatief" is uitgesloten. En zonrijk 2003 eenzaam boven de rest blijft uit-torenen, met een spectaculaire jaar productie van 1.070 kWh (1.049 kWh/kWp). Het langjarige gemiddelde in deze reeks fysieke realisaties (oranje kolom achteraan) is 923 kWh. Dit is het gemiddelde op basis van de feitelijk gerealiseerde opbrengsten, dus inclusief die voor het "niet representatieve jaar" 2010 (ongeveer een maand in het najaar opbrengst gemist vanwege dakrenovatie). Waarmee de gemiddelde specifieke jaar productie voor deze oude PV installatie sedert 2002 op 905 kWh/kWp.jaar is gekomen, een zeer respectabel volume. Voor 2016 was de specifieke opbrengst 911 kWh/kWp, in het voorgaande jaar 2015 was het zelfs 914 kWh/kWp. Ergo: we blijven "hoog in de boom" zitten met de jaarproducties, met zeer oude PV hardware.

Als we 2010 uit het gemiddelde zouden halen om een "representatief" jaargemiddelde te krijgen zonder toestanden als een dak renovatie, zouden we zelfs op 928 kWh/kWp.jaar zijn gekomen in de periode 2002-2009 plus 2011-2016.

Bruine stippellijn: oude "referentie" opbrengst CBS (700 kWh/kWp.jr), omgerekend voor betreffende deelsysteem van 1,02 kWp (ergo: 714 kWh/kWp.jr). Blauwe stippellijn: sedert 2011 "nieuwe referentie" Univ. Utrecht (875 kWh/kWp.jr). Voor het 1,02 kWp systeem zou dat neerkomen op gemiddeld 893 kWh/kWp.jr. Groene stippellijn: Langjarig gemiddeld gerealiseerde output van het 1,02 kWp systeem indien 2010 niet zou worden meegenomen: 928 kWh/kWp.jr. Indien uitgegaan van de werkelijk gerealiseerde gemiddelde jaaropbrengst voor het 1,02 kWp deelsysteem, dus inclusief dak renovatie jaar 2010: 923 kWh/kWp.jr (oranje kolom).

Details jaar productie per deelgroep

In de lijstjes hier onder geef ik de detail producties voor achtereenvolgens de maand december 2016, en het hele kalenderjaar 2016 weer, per deelgroep in ons kleine PV-systeem.

In alle gevallen doen de laatst aan het systeem toegevoegde "50 Wp" Kyocera panelen, 2 in serie gekoppeld op een in huis hangende OK4E-100 micro inverter, het wat de specifieke opbrengst betreft, het best: 23 kWh/kWp in december 2016. Daarna volgen 2 op pal zuid gerichte 108 Wp modules, 21 kWh/kWp, en de 2 in de voorste rij staande oudste exemplaren die iets meer richting oost staan (SSE), met 20 kWh/kWp. De overige 108 Wp panelen (15 jaar oud) staan in de achterste rij, en krijgen in wintermaanden als december op zonnige dagen bij laag staande zon deels te maken met beschaduwing van de voorste rij modules (13 kWh/kWp). Het "restant" bestaat uit oudere panelen in de voorste rij, met een lager module vermogen van 93 Wp, die waarschijnlijk al wat meer "gedegradeerd" zijn (16 jaar oud) dan de overige modules: 18 kWh/kWp. De overige 2 gekleurde banden geven de groepsgemiddeldes voor het langjarige uit 10 panelen bestaande kern-systeem weer (17 kWh/kWp), resp. de 6 108 Wp exemplaren binnen die groep, verdeeld over 2 vooraan resp. 4 achteraan staande panelen (16 kWh/kWp, vanwege partiële beschaduwing achterste 4 in december). Helemaal bovenaan het resultaat voor alle 14 modules bij elkaar (1,334 kWp), wat met een productie van 23,7 kWh een specifieke opbrengst haalde van gemiddeld 18 kWh/kWp in die winterse maand.

Kalenderjaar 2016 - uitsplitsing per deelgroep

Uiteraard gelden vergelijkbare resultaten als je de hele kalenderjaar opbrengst voor 2016 per deelgroep bekijkt. Kyocera leading the pack, met, hoe is het mogelijk met een antieke OK4E-100 micro inverter, 1.001 kWh/kWp in 2016. En per deelgroep verder afdalend, via 944 kWh/kWp (voorste 2 op ZZO gerichte 108 Wp panelen van 15 jaar oud), 936 kWh/kWp (ditto, op pal Z. gericht), 914 kWh/kWp (4x 93 Wp modules, 16 jaar oud), resp. de al langer "matig" presterende 4 108 Wp panelen (ZZO) van 15 jaar oud (combinatie partiële beschaduwing in winter en enkele zwakkere inverters), met 891 kWh/kWp in 2016. Toch is dat laatste nog steeds 1,8% hoger dan het "nieuwe kengetal" voor Nederland. En zit het hele systeem, 14 oude panelen met 13 antieke micro-inverters, met 921 kWh/kWp in 2016, er zelfs 5,3% boven...

Bronnen, referenties instraling:

Monitoring data PV systeem Polder PV (sedert maart 2000)

December 2016. Zacht, zeer droog en zeer zonnig (maandrapport KNMI, 1 januari 2017, voorlopig overzicht)
Jaar 2016. Zeer warm, zeer zonnig en aan de droge kant (jaarrapport KNMI, 5 januari 2017, definitief overzicht)


 
^
TOP

8 januari 2017: Nationale instralingsdata KNMI - wederom bovengemiddeld zonnig jaar 2016, maar minder instraling dan 2015 (upload 11 jan. 2017). Er is weer een kalenderjaar voorbij, en KNMI heeft de instralingsdata voor al haar meetstations tot en met eind december 2016 gepubliceerd. In navolging van mijn uitgebreide analyse van vergelijkbare data voor 2015 en 2014, met daarbij veel achtergronden en toelichting daarop, publiceer ik in dit artikel de volledig bijgewerkte landelijke KNMI data tot en met 2016. Gemiddeld genomen werd er door de 31 in dat jaar actieve meetstations (Valkenburg ZH helaas in mei gestopt), 0,4% mínder horizontale instraling in J/cm² gemeten dan in het relatief zonrijke voorgaande jaar. Daarmee was 2016 echter beslist geen "somber" jaar, integendeel. 2016 liet 2,7% méér instraling zien dan het langjarige gemiddelde in de periode 2002-2016. Als we alleen naar de "zonneschijnduur" zouden kijken, is volgens het KNMI 2016 zelfs "zeer zonnig" geweest (definitief jaaroverzicht). Met voor het langst gemeten station, De Bilt, zelfs de negende plaats sinds in 1901 werd gestart met de metingen (toen nog met Campbell-Stokes meet-methodiek).

Het record van het extreem zonrijke jaar 2003 werd daarbij natuurlijk bij lange na niet gehaald, ondanks een reeks bovengemiddelde maanden in het naseizoen. Dit werd vooral veroorzaakt door een zeer zon-arme, regen-rijke juni maand (rapport KNMI), waarin ook nog de beruchte supercell (incl. megahagel in ZO Nederland) is opgetreden op 23 juni. Aangezien juni tot een van de drie "top" maanden hoort voor de bijdrage aan de jaarproductie van zonnestroom systemen in ons land, is zo'n klap moeilijk later in het jaar op te vangen, en is een jaar record feitelijk niet meer mogelijk.

Het beeld bij de afzonderlijke weerstations was behoorlijk "gemengd" in 2016. De fysieke instraling bij 12 stations was hoger dan in 2015. Waarbij Voorschoten, slechts 2 jaar "vol in bedrijf", en derhalve natuurlijk nog niet echt representatief, zelfs het hoogste jaargemiddelde heeft gehaald. Uiteraard hebben mindere jaren bij de veel langer in bedrijf zijnde overige KNMI stations die jaargemiddeldes onderdrukt, Voorschoten zal langer in bedrijf moeten zijn om iets over haar feitelijke status te kunnen zeggen. De verwachting is echter dat ze hoog zal gaan scoren, want het nieuwe meetstation bevindt zich niet ver van zowel het gesloten station Valkenburg ZH, als van het onderkomen van Polder PV, in de instralings-rijke kuststrook van Zuid Holland.

De overige 19 van de in 2016 in totaal 31 stations met zonneschijnduur - en instralings-data hadden soms fors lagere instraling in het kalenderjaar, dan in 2015. Deze hebben dus de hogere instralingscijfers van genoemde 12 stations gemaskeerd, waardoor over-all het totale resultaat iets minder was dan in 2015. Maar dat was nog steeds fors bovengemiddeld t.o.v. de langjarige reeksen.

De langjarige trends (10 resp. 25 jaar voortschrijdende gemiddeldes) blijven nog steeds positief: de metingen bij de 5 al zeer lang instralings-data rapporterende KNMI stations geven gemiddeld genomen steeds meer zonlicht te zien. Dit betekent dat zonnestroom genererende fotovoltaïsche installaties per jaar meer elektriciteit kunnen genereren, als de degradatie van de zonnecellen beperkt blijft. En dat opwek prognoses ook in 2017 weer wat omhoog bijgesteld dienen te worden voor een realistische productie verwachting.

(1) Geen 100% lineaire correlatie tussen "zonuren" en "globale instraling" (ctd.)

KNMI geeft in principe drie reeksen cijfers voor de dagelijkse instraling op haar meetstations. De in dit artikel gebruikte series zijn de globale straling (in J/cm²), resp. de zonneschijnduur ("zonne-uren", in eenheden van 0,1 uur), welke door het KNMI tegenwoordig wordt berekend uit de globale straling. Wat dat laatste betreft, kan zelfs een "waarde" van -1 voorkomen, indien die periode korter is dan 0,05 uur. Een derde, hier niet verder uitgediepte meetwaarde, is het percentage van de langst mogelijke zonneschijnduur op de betreffende dag.

Gevoelsmatig zou je veronderstellen dat er een "directe relatie" is tussen aantal zonne-uren en fysieke instraling. Er is voor een belangrijk deel beslist zo'n relatie, maar hij is zeker niet "100 procent lineair". Dat heeft natuurlijk te maken met de sterk wisselende intensiteit van de instraling, waardoor het ene "zonneuur" het andere niet is - noch "kan zijn". Dit maak ik hier wederom duidelijk aan de hand van een grafiek met alle gemeten combinaties van waarden, waarvoor dus volledige data aanwezig zijn, tot en met 2016. Elk van de in totaal 34 meetstations (waarvan 3 inmiddels opgeheven) heeft daarbij een eigen kleur gekregen. We krijgen dan de volgende, ververste grafiek:

In deze grafiek zien we dat er wel degelijk een "grove" lineaire relatie is tussen fysiek gemeten instraling (in J/cm²) en het aantal zonne-uren. Er loopt een denkbeeldige "rechte lijn" van linksonder naar rechtsboven door de grote puntenwolk. Maar er zijn ook een hoop meetwaarden die zich op een behoorlijke afstand van die puntenwolk bevinden, grotendeels ter linkerzijde. Veel van die meetpunten behoren bij meetstations De Kooy, Maastricht, Eelde, en Vlissingen. Het is niet duidelijk waarom die stations zoveel hoge meetwaarden voor instraling zouden hebben t.o.v. de rest. Slechts 2 van die meetstations liggen namelijk aan de kust, Maastricht ligt diep landinwaarts in het zuid-oosten, Eelde ligt in noord-oost Nederland, ook behoorlijk ver van de (Wadden)kust verwijderd. Niet bekend is of het hier een mogelijke afwijking in gevoeligheid van de gebruikte apparatuur zou kunnen betreffen. De forse spreiding tussen de meetpunten laten in ieder geval zien dat je "aantal zonne-uren" en "fysieke instraling" data van het KNMI niet zomaar 1 op 1 met elkaar zou mogen vergelijken. KNMI heeft het in haar communicatie uitingen (maand-, jaarrapportages etc.) meestal over "aantal zonne-uren". Daar kun je echter weinig mee, als je de impact op zonnestroom productie wilt kunnen duiden. Derhalve neem ik zelf als referentie voor metingen van de zonnestroom productie van mijn PV installatie altijd de fysieke instraling. Jarenlang gemeten op het dichtbij gelegen meetstation Valkenburg (ZH). En sinds hun laatste meting op 2 mei 2016 (het vliegveld wordt een woonwijk) station Voorschoten, wat er niet heel erg ver vandaan ligt.

In de volgende grafieken beschouw ik de metingen voor "zonne-uren" en die voor de fysieke instraling dan ook, zoals gebruikelijk, apart van elkaar.

(2) Voortschrijdend gemiddelde zonne-uren 10 jaar

Van de meeste KNMI stations zijn pas metingen van het aantal "zonne-uren" bekend vanaf eind tachtiger jaren of zelfs pas vanaf de eeuw-wisseling (20e/21e eeuw). Slechts 5 weerstations hebben zeer lange tijdreeksen, vanaf 1901 (De Bilt) cq. vanaf 1906-1908 (De Kooy - Den Helder, Kop van Noord-Holland; Eelde - Groningen Airport, in Noord-Drenthe; Vlissingen in Zeeland; Maastricht in Limburg). Die metingen zijn in deze zeer lange tijdreeks weergegeven als data punten. Hierbij is voor dit specifieke geval rekening gehouden met de curieuze "-1" waarden als de zonneschijnduur op een willekeurig dag minder dan 0,05 uur heeft bedragen (volgens KNMI opgave). Deze zijn hier geconverteerd naar een (kunstmatig) lage waarde van elk 0,025 uur ter vervanging van de "-1". Voorts zijn in bijpassende gekleurde dikke lijnen de voortschrijdende gemiddeldes (MA - moving average) weergegeven van het weergegeven jaar en de 9 daar aan voorafgaande (lijn is dus gemiddelde van afgelopen 10 jaar, elk jaar opnieuw berekend). KNMI heeft in 1992 de meet methodiek gewijzigd (van Campbell-Stokes meting naar - nauwkeuriger - metingen m.b.v. pyranometers). Dit is weergegeven met de vertikale stippellijn. In De Bilt zijn de twee meet-technieken langere tijd parallel gecontinueerd. Uit de analyse van die gegevens volgde de conclusie van het KNMI dat er nauwelijks verschillen ontstonden in de vaststelling van het jaarlijkse aantal zonuren. Echter, er kunnen beslist nog anomalieën zitten in dergelijke lange reeksen, bijvoorbeeld door de "verhuizing" van meetinstrumenten naar een andere, beter geschikte plek, e.d. (zie opmerkingen KNMI in dit document). Derhalve blijft het oppassen geblazen om "harde" conclusies te verbinden aan bepaalde trends. Dit laat onverlet, dat de laatste jaren onherroepelijk meer lichtinval - en duur wordt gemeten dan in voorgaande jaren. En dat is een trend die ook al enkele jaren met de zeer uitgebreide metingen in zonnestroom pionier Duitsland wordt vastgesteld (Photon rapporteert er jaarlijks over). De curves aan de rechterzijde van deze grafiek spreken wat dat betreft boekdelen.

Ondanks genoemde methode wijziging, van "Campbell-Stokes naar pyranometer" metingen, die tot niet significante verschillen in meetresultaten lijkt te hebben geleid, was al vóór 1992 duidelijk, dat er gemiddeld genomen bij deze vijf stations steeds meer zonuren werden gemeten (vanaf eind tachtiger jaren). En dat deze trend zich zeer manifest verder heeft versterkt. Met de altijd voorkomende jaarlijkse fluctuaties, is de gemiddelde trend zeer duidelijk naar meer zonuren per jaar. En, derhalve, ook meer te verwachten opbrengst bij van zonlicht afhankelijke productie systemen als zonnepanelen. Door microklimaat verschillen tussen lokaties onderling, kan de vorm van de curves die het voortschrijdend gemiddelde weergeven variëren, zoals ook duidelijk wordt uit de grafiek. Opvallend was de "inhaalrace" van Maastricht bij dit vijftal, wat voor de twee wereldoorlogen laag begon. En waarvan de voortschrijdend gemiddelde curve uiteindelijk met die van zuster stations Eelde en De Bilt ongeveer gelijk op begon te lopen sinds de eeuwwisseling.

Bij de laatste complete jaar metingen voor 2016, blijken de 10 jaar lange voortschrijdende gemiddeldes wederom een stukje verder te zijn gestegen, voor alle vijf de hier afgebeelde meetstations (eindstukje van alle 5 curves licht omhoog gericht).

Ook wordt duidelijk dat de in de zeer zonrijke kustregio gelegen stations De Kooy en Vlissingen elk jaar weer de gooi naar "de beste" doen. Wat de laatste vijf jaar (incl. 2016), vier maal in het voordeel van het Noord-Hollandse De Kooy (gemeente Den Helder) is beslecht. En wat het 10-jarig voortschrijdend gemiddelde voor dit weerstation sedert 2013 weer boven dat van Vlissingen heeft getild. Of deze verhouding zo blijft is echter de vraag, want in de tweede helft van de vijftiger jaren van de vorige eeuw lag de curve voor Vlissingen beduidend hoger dan die voor De Kooy. De afstand van de instralings-curves van deze twee kust-stations t.o.v. de exemplaren van de drie voornoemde, in het binnenland / oosten van het land gelegen locaties is - en blijft - in ieder geval aanzienlijk. En is zelfs gemiddeld genomen sinds de negentiger jaren van de vorige eeuw toegenomen.

In de grafiek ontbreken een paar meetwaarden. In de oorlogsjaren 1944-45 zijn er forse data lacunes voor de aan de kust (Atlantikwall gebied!) gelegen stations Vlissingen en De Kooy, en in 1945 ook voor De Bilt. In 1994 was er ook een groot "data gat" voor station Vlissingen. Om zuivere, representatieve resultaten te krijgen, zijn deze jaren met deels missende data uit de grafieken verwijderd.

(3) Voortschrijdend gemiddelde zonne-uren 25 jaar

In deze tweede grafiek een zelfde weergave, maar nu is de voortschrijdende trendlijn voor alle vijf KNMI stations berekend over een veel langere periode van 25 jaar, waardoor tussentijdse verschillen tussen jaren onderling meer worden uitgemiddeld, en de langjarige trend nog beter kan worden weergegeven. Na een licht maximum in 4 van de 5 curves rond eind veertiger jaren van de vorige eeuw (excl. Vlissingen, wat een max. in begin zestiger jaren vertoont), lijkt de instraling stapsgewijs wat minder te zijn geworden. Wat mogelijk (doch beslist niet als zodanig eenduidig te bepalen) door toename van luchtvervuiling kan zijn veroorzaakt a.g.v. de enorme economische groei sinds het einde van WOII. Echter, sinds eind tachtiger jaren is hierin een zeer duidelijke trendbreuk te zien. We hebben sindsdien, op de gebruikelijke "incidenten" na (dipje begin 21e eeuw), te maken met een zeer duidelijke toename van het aantal zonuren per jaar. Ook 2016 lijkt deze trend verder behoorlijk te hebben versterkt. De drie "binnenland" stations Maastricht, De Bilt en Eelde, lijken wat aantal zonuren betreft naar elkaar toe te convergeren (tussen 1.660 en 1.700 zonuren). Hetzelfde, maar dan op een veel hoger niveau (inmiddels zo'n 1.860 zonuren), geschiedde met de curves voor de meetstations De Kooy en Vlissingen, beiden aan de zonrijke kust (maar wel bijna 185 kilometer in rechte lijn van elkaar verwijderd). Goed is te zien dat zowel in het verleden, als in recente jaren, de curve voor Vlissingen tot twee keer toe zeer dicht tegen die van De Kooy is gekropen, bij deze langjarige trend.

Maastricht heeft een opvallende inhaalrace doorgemaakt sinds de twintiger jaren van de vorige eeuw. Een mogelijke verklaring zou kunnen zijn, dat de zwaar vervuilende kolenindustrie in het aanpalende ("bovenwindse") België in elkaar is gestort, waardoor eventuele luchtvervuiling (met onze overheersende zuid-westen winden) fors kan zijn afgenomen. Dit is echter speculatie, en zou door een geïnteresseerde nader onderzocht kunnen worden. In ieder geval werd de laatste steenkolen mijn in Limburg zelf eind 1974 definitief gesloten.

(4) Aantal zonuren 2016
Volgens het KNMI jaaroverzicht van 2016, zouden er in dat jaar gemiddeld 1.881 "zonuren" zijn geweest. Waardoor 2016 volgens het KNMI het predikaat wederom "zeer zonnig jaar" heeft gekregen (doch iets minder zonnig dan 2015, wat 1.894 "zonuren" heeft gehad). Als ik het jaarlijkse gemiddelde aantal zonuren per KNMI station (31 stuks volledige meetwaarden in 2016) uit-middel, kom ik iets lager uit, 1.867 "zonuren" (-1,4
% t.o.v. de KNMI opgave). Waarschijnlijk ligt het verschil aan het "niet converteren" van de vreemde "-1" records voor zeer sombere dagen. Verder zitten er ook nog "lege" velden in de data records van het KNMI (zie introductie in artikel begin 2015). Ik heb voor zuivere reeksen alle records geëlimineerd waar dergelijke data "gaten" in zaten (anders krijg je vreemde, soms veel te lage jaar totalen). Wellicht kan die methodiek in combinatie met het gesignaleerde "conversie probleempje" van uitzonderlijk sombere dag-waarden, het - relatief kleine - verschil verklaren. KNMI claimt dat normaliter 1.639 "zonuren" de standaard is, waarbij die standaard, belangrijk om dat in de oren te knopen, de officiële referentieperiode 1981-2010* omvat. In mijn berekeningen met de originele KNMI data kom ik voor die periode uit op 1.623 "zonuren". Bijna 1% minder. Ook hier een ietwat te groot verschil om dat af te doen als "afrondingsfout".

Volgens het voorlopige KNMI jaar rapport over 2016 waren "vrijwel alle maanden zonniger dan normaal* met als uitschieters september, december en in iets mindere mate november". Waarbij echter wordt gerefereerd aan "zonuren". Zoals we eerder hebben gezien, is dat niet hetzelfde als "hoeveelheid instraling" in genoemde maanden. Wederom ontving het kustgebied de meeste zonuren. De Kooy (NH) had er zelfs 2.046 in 2016. 300 uur meer dan "normaal", en ook een flink stuk meer dan 2015 "record houder" Vlissingen, waarvoor toen 2.007 zonuren werden genoteerd. Terwijl in 2015 het noordoosten van het land volgens het KNMI het minst zonnig was, is dat in 2016 Zuid Limburg geweest, met 1.718 zonuren. Hetgeen nog steeds 150 "zonuren meer dan normaal" was.

Van alle individuele meetstations had Maastricht het laagste aantal zonuren, 1.717 in 2016. Ook Ell (gemeente Weert, midden-Limburg) zat daar met 1.725 zonuren niet ver van af. Bij de fysieke instraling is echter niet een Limburgse gemeente in 2016 "de klos", maar vliegveld Deelen (grotendeels op grondgebied gemeente Ede, Gld). Hier werd slechts een horizontale instraling van 368.212 J/cm² gemeten, wat echter nog steeds 3,9% boven het langjarige gemiddelde voor dat station is.

* "Normaal" betreft de officiële referentie periode 1981 - 2010


(5) Voortschrijdend gemiddelde fysieke horizontale instraling 10 jaar

Voor zonnestroom producenten is de arbitraire maat "aantal zonuren" geen goede referentie als het om potentieel aan zonnestroom productie gaat. Een PV systeem reageert namelijk direct op licht, en dan is de hoeveelheid fysieke instraling in kilowattuur per oppervlakte eenheid de doorslaggevende factor. Die hoeveelheid kan letterlijk van seconde tot seconde wijzigen, en dan heb je niet veel aan een slecht kwantificeerbare referentie als "zonne-uren". De fysieke instralings-data houdt KNMI ook bij, al is het helaas minder lang dan die voor het "aantal zonne-uren". De langste meetreeksen zijn wederom aanwezig voor bovengenoemde vijf KNMI stations, die data sinds 1958 (De Bilt) cq. sinds de zestiger jaren (4 andere locaties) registreren. Van die reeksen heb ik wederom twee grafieken gemaakt, de eerste geeft het 10-jarige voortschrijdende gemiddelde voor de globale horizontale instraling op 5 stations weer, in de afgeleide eenheid kilowatturen per vierkante meter (origineel worden de data in J/cm² weergegeven, de "J" komt van "Joule").

Niet verrassend: evenals het aantal zonuren, is ook de globale instraling op het horizontale vlak gemiddeld genomen (met de onvermijdelijke kleine bobbels en kuiltjes in de curves) flink toegenomen sinds eind tachtiger jaren. Die trend werd ook al ingezet vóórdat van meetsysteem werd gewisseld (de pyranometer metingen vervingen de Campbell-Stokes methodiek). De toename van de instraling mag gerust "opvallend" genoemd worden. Echter, sinds ik mijn eerste uitgebreide artikel over die forse toename schreef, bleef het op dat vlak angstaanjagend stil in zonnestroom liefhebbend Nederland. Ik ben benieuwd of die merkwaardige mediastilte blijft voortduren, of dat Polder PV een roepende in de woestijn blijft, op dat vlak.

In 1987 ontvingen de 2 "somberste" meestations in deze specifieke reeks, De Bilt en Eelde, 914-924 kWh/m² aan zoninstraling. De kust stations Vlissingen en De Kooy zaten fors hoger, met waarden tussen 1.013 (Vlissingen) en 1.034 (De Kooy) kWh/m². Maastricht zat tussen deze twee groepen in, 954 kWh/m². Vanaf haar eerdere "dieptepunt" in 1981, het voortschrijdende gemiddelde voor de instraling op 964 kWh/m², zat er beduidend progressie in deze curve voor de Limburgse hoofdstad. En liet deze Eelde en De Bilt zelfs lange tijd achter zich, om de laatste jaren weer wat in te boeten (het verschil wordt weer kleiner). Gemiddeld genomen neemt de instraling voor alle stations toe, maar die voor de kuststations lijkt soms harder te groeien. Vlissingen en De Kooy eindigden in 2016 met het voortschrijdend gemiddelde ongeveer op gelijk niveau, tussen 1.114 en 1.115 kWh/m². Vlissingen "topte" in de voortschrijdende curve in 2012. Beide stations hebben de laatste jaren gemiddelde instralings-niveaus die beduidend hoger liggen dan de voortschrijdende gemiddeldes in de tachtiger jaren van de vorige eeuw lieten zien.

Let in dit plaatje ook op de record hoeveelheid instraling in het jaar 2003 (losse datapunten). De kust stations hadden een enorm hoge geaccumuleerde instraling in dat jaar, Vlissingen zelfs 1.185 kWh/m². Maar zelfs het ver van zee liggende station Maastricht liet zich in dat exceptioneel zonrijke jaar beslist niet onbetuigd, met 1.176 kWh/m². Van de KNMI stations die in dat byzondere jaar 2003 meetwaarden hadden, waren er maar liefst 26 van de 33 die meer dan 400.000 J/cm² cq. ruim 1.110 kWh/m² aan gemeten jaarlijkse instraling lieten zien. Een niveau wat sindsdien ongeevenaard is. De webmaster van Polder PV is uiteraard blij dat hij dat zonrijke jaar volledig heeft meegemaakt, met tien "ronkende" zonnepanelen...

(6) Voortschrijdend gemiddelde fysieke horizontale instraling 25 jaar

Mocht u na de vorige drie grafieken nog twijfelen, zal die bij dit laatste exemplaar definitief worden weggenomen. Onherroepelijk kruipen de voortschrijdende gemiddelde curves bepaald over een langjarig traject van 25 jaar in deze eeuw langzaam maar gestaag omhoog. Soms tijdelijk een lichte terugval vertonend, of, zoals bij Vlissingen en Maastricht in de laatste jaren tm. 2015 een stabilisatie of "lichte groei". Maar vanaf begin deze eeuw is de gemiddelde stijging beslist goed zichtbaar. Dat betekent dat er meer licht op uw zonnestroom systeem valt. En dat u meer zonnestroom zult produceren, vermits deze meeropbrengst niet teniet wordt gedaan door onverwachte systeem fouten en/of degradatie van de hardware. Polder PV meet al jaren lang de opbrengsten van zijn eigen (deels bijna 15 jaar bestaande) systeem, en merkt nauwelijks iets van verminderde opbrengsten. Sterker nog, 2015 was weer een prima jaar. Zie de bijgewerkte Sonnenertrag ingave voor het 1,02 kWp deel-systeem, tab-blad "alle jaren", tabel onder grafiek (NB: sep-okt. 2010 was dak-renovatie alhier, met uitgeschakeld systeem). En ook 2016 liet zich, ondanks een "verknalde" juni maand, van haar positieve kant zien. Hier is inmiddels apart over gerapporteerd. Als de zonnecellen in uw panelen van goede kwaliteit zijn, en de modules op een decente wijze in elkaar zijn gezet, lijkt het met deze onherroepelijk positieve instralings-trend tot maar een conclusie te moeten leiden: uw PV systeem gaat nog meer stroom produceren dan u waarschijnlijk de afgelopen jaren had gedacht. Of wat u wellicht door uw op dit gebied slecht geïnformeerde leverancier is voorgespiegeld.

Oorzaak meer zonlicht
In haar Klimaatscenario's voor Nederland brochure, herziene uitgave 2015, rept het KNMI van "De zonnestraling is vanaf de jaren-80 toegenomen, met 9% tussen 1981 en 2013". KNMI claimt dat dit komt omdat de "lucht schoner is geworden en daardoor ook transparanter". Zelfs onder bewolkte omstandigheden zou de instraling zijn toegenomen. Het KNMI suggeert daarbij, "dat wolken transparanter zijn geworden door de verminderde luchtvervuiling".

Disclaimer: atmosferische trends zoals verminderde luchtvervuiling, die een mogelijke verklaring kunnen zijn voor de toename van de hoeveelheid invallende instraling op het horizontale vlak in ons land, kunnen natuurlijk ook weer in negatieve zin wijzigen in de komende jaren. Al lijkt daar gevoelsmatig weinig aanleiding voor te zijn. Ik ben benieuwd of de in deze laatste grafiek zeer duidelijk aangetoonde stijging van de gemiddelde instraling bij de vijf KNMI stations zal aanhouden, of dat ze weer zal gaan afvlakken of wellicht zelfs weer zou kunnen gaan afnemen.


(7) Gemiddelde globale instraling alle KNMI stations in periode 2002-2016 en in geselecteerde jaren


KLIK op plaatje voor uitvergroting

Deze grafiek, de eerste update sinds het uitgebreide exemplaar gemaakt voor de 2015 rapportage, geeft primair in kolommen de gemiddelde jaarlijkse globale instraling in de van (bijna) alle stations gemeten periode 2002 tot en met 2016. Waarbij de oorspronkelijke meetwaarde (Joule per cm²) is weergegeven op de Y-as (let op dat de range op die as loopt van 310.000 tm. 440.000 J/cm²). De volgorde van links naar rechts op de X-as, is volgens de cijfercode die KNMI aan haar stations geeft (Valkenburg ZH, 210, tm. Arcen Limburg, 391). Helemaal achteraan heb ik het gemiddelde voor alle gemeten stations in deze periode opgegeven. Daarbij zijn uitsluitend de stations meegenomen die in genoemde periode een sluitende en complete dataset hadden. Derhalve zijn de data van de gesloten stations Valkenburg ZH (laatste meetpunt 2 mei 2016), Soesterberg Ut. (laatste meetpunt dd. 16 november 2008), en Wilhelminadorp Zld (laatste meetpunt 5 januari 2014), niet in dat langjarige gemiddelde opgenomen. Het langjarige gemiddelde voor de resterende "complete" datasets hebbende 31 meetstations, inclusief het nu 2 volledige kalenderjaren draaiende, dicht bij Valkenburg ZH gelegen nieuwe station Voorschoten, bedraagt voor de getoonde periode 2002-2016 379.805 J/cm² (omgerekend: 1.055 kWh/m² *). Dat is (slechts) 0,04% lager dan het gemiddelde van 379.970 J/cm² over de periode 2002-2015.

* Siderea.nl neemt als gemiddelde instralings-periode 1991-2010, en komt op een hogere waarde, 1.075 kWh/m² "5% hoger dan het langjarige gemiddelde" in de door hen gehanteerde periode (bericht 4 januari 2017). KNMI hanteert als "standaard referentie periode" 1981-2010.

De afgelopen vier jaren heeft de gemiddelde instraling bij de 31 meetstations opmerkelijk hoge waarden bereikt (NB: Voorschoten heeft haar eerste 2 volledig gemeten kalenderjaren net achter de kiezen, dus geen lange historische "record" beschikbaar). Was dat gemiddelde in 2013 nog 375.110 J/cm² (1,2% onder het langjarig gemiddelde van 2002-2016 liggend), werd dat al 1,0% bóvengemiddeld 383.544 J/cm² in 2014. En deed 2015 er vervolgens nog een schep bovenop, met 391.448 J/cm² op de teller, 3,1% boven het langjarige gemiddelde. 2016 zakte weer iets terug, maar bleef met 387.160 J/cm² nog op een respectabele 2,9% boven het gemiddelde voor 2002-2016 steken.

Ook heb ik met aparte symbolen de prestaties in het gemiddeld slechtste, en die voor het beste jaar in de getoonde meetperiode weergegeven. 2002 had een gemiddelde instraling van slechts 361.932 J/cm², 4,7% onder het langjarige gemiddelde van 2002-2016 liggend. 2003 blijft eenzaam de topscore uitstralen van gemiddeld 408.274 J/cm² (gemiddeld voor, destijds, 33 meetstations), een spectaculaire 7,5% boven datzelfde langjarige gemiddelde over de periode 2002-2016. Twee opeenvolgende jaren met ditto extremen. Zo heftig kan zelfs het (gemiddelde) "weer" dus binnen 2 jaar veranderen.

In 2016 is wederom Zeeuws Vlissingen het station met de hoogste instraling geweest. 418.072 J/cm², overeenkomend met 1.161 kWh/m². Die hoeveelheid lag 8% boven het gemiddelde van 31 stations in dat jaar, 1.075 kWh/m². Eeuwige concurrent De Kooy uit de Kop van Noord-Holland zat toen "slechts" op 1.143 kWh/m² (1,6% lager dan Vlissingen). De laagste jaar instraling werd in 2016 gemeten op station Deelen (Ede, Gelderland), geconverteerd vanuit de primaire data neerkomend op 1.023 kWh/m². Dat is 4,9% onder het gemiddelde van alle stations. En die waarde ligt bijna 12% onder het maximum gemeten in Vlissingen in dat jaar.

Bijstelling productie verwachting PV installaties
De blijvend hoge instralings-niveaus leiden ertoe, dat exploitanten van (goed werkende) PV installaties de laatste jaren (nog veel) hogere opbrengsten konden verwachten, dan ze waarschijnlijk al jaren wordt voorgespiegeld. Leveranciers willen nog wel eens extreem conservatief opbrengsten inschatten, mogelijk om geen "klachten" te horen als het een jaartje wat tegenzit met de instraling. Maar van fysieke instralings-data hebben veel leveranciers sowieso vaak weinig kaas gegeten. Ook het zogenaamde nieuwe "kengetal", door Univ. Utrecht "vastgesteld" op 875 kWh/kWp.jaar voor een "verondersteld gemiddeld" NL PV systeem, zal waarschijnlijk nog verder omhoog moeten worden bijgesteld, als de al jaren durende gemiddelde toename van fysiek door KNMI gemeten instraling verder zal worden gecontinueerd.

Afzonderlijke jaar metingen over complete meetperiode vanaf 2002
Voor de zes getoonde individuele jaren zijn ook voor alle meetstations de afzonderlijk gemeten jaar resultaten weergegeven in de gekleurde horizontale balkjes in de laatste grafiek. We vinden daarbij voor de gemiddeld slechtst en best presterende jaren 2002 en 2003 nog twee afzonderlijke "relatieve" jaar extremen: 342.276 J/cm² in 2002 voor station Leeuwarden in Friesland (9,9% onder het langjarige gemiddelde voor die KNMI locatie). En een all-time high voor kust station Vlissingen, gemeten nabij kerncentrale Borssele. Wat met haar ongebroken record instraling van 426.625 J/cm² in 2003 een spectaculaire 12,3% boven het toch al zeer hoge langjarige gemiddelde uit kwam.

Er is in de KNMI overzichten geen andere jaar waarde terug te vinden die hoger uitkomt dan genoemde hoge instraling voor Vlissingen in het record jaar 2003. Maar er zijn beslist nog veel lagere instralingswaarden te vinden dan genoemde 342.276 J/cm² voor Leeuwarden in het gemiddeld slechtst presterende jaar 2002. De laagste jaar instraling die ik kon vinden in volledig bemeten kalenderjaren was een treurige 308.967 J/cm² in het jaar 1998, een "heel somber" jaar, wat bovendien een regen record op haar geweten heeft volgens het KNMI. Deze zeer lage instralings-waarde werd gemeten op weerstation Twenthe. Die waarde ligt een spectaculaire 13,8% onder het langjarige gemiddelde voor dat KNMI station. Voorwaar, een jaar wat je gaarne zo snel mogelijk weer wilt vergeten, zeker als je daar hebt gewoond in die periode...

Bronnen

Interne links:

Nationale instralingsdata KNMI - opnieuw zonnig(er) 2015, echter nog steeds geen record (4 januari 2016: Uitgebreide analyse tm. 2015, incl. achtergronden)

KNMI instralingsdata deel 3: landelijke ontwikkeling (14 januari 2015: analyse Polder PV tm. 2014)

Externe links:

Daggegevens van het weer in Nederland (KNMI, volledige meetreeksen, interactieve selectie, etc.)
Jaar 2016. Zeer warm, zeer zonnig en aan de droge kant (5 januari 2017, definitief KNMI jaarbericht 2016)

Achtergrond - Waarnemingen klimaatveranderingen (standaard referentieperiode KNMI: 1981 - 2010. "De zonnestraling is vanaf de jaren 80 toegenomen, met 9 procent tussen 1981 en 2013". Verklaring KNMI: "de lucht schoner is geworden en daardoor ook transparanter")

Jaarproductie zonnestroom in Nederland. 2016 weer een uitstekend jaar (4 januari 2017, Siderea.nl)

Landelijke Opbrengst Berekening PV. Jaaroverzicht 2016 (4 januari 2017, Siderea.nl, met hoge - doch geen record - waarden voor de haalbare specifieke opbrengst van zonnestroom systemen op 5 lokaties in Nederland, voor "optimale" en "gemiddelde" oriëntaties van de modules. Tot in zuid Nederland aan toe zouden voor optimale installaties waarden ver boven de 1.000 kWh/kWp gehaald kunnen zijn in 2016)

Hoge opbrengst zonnepanelen in 2016 (Milieu Centraal n.a.v. publicatie Siderea.nl; verwarrende opmerking over "zonuren versus kracht van de zon")

Interessante bijdrage van beroemde NRC schrijver Karel Knip, over instraling in Nederland (dank aan Nicolaas van Everdingen van Plushuis.nl voor de tip):
Geheel bewolkt en toch zon – rara hoe kan dat? (NRC, 14 mei 2016)

Nagekomen, zeer interessant leesvoer in deze context:

Meer zonlicht in de Bilt. Hoogst interessant vervolg en duiding op de toename van instraling (meetgegevens de Bilt), verschafte "Klimaatgek", in een beschouwende blog gepubliceerd op 14 april 2017 (dus zo'n 2 en een halve maand na publicatie van het hierboven weergegeven artikel op Polder PV)


 
^
TOP

4 januari 2017: Bespreking PwC rapport "De historische impact van salderen" (upload 11 jan. 2017). Tijdens de periode dat ik mijn website niet kon updaten verscheen via het ministerie van Economische Zaken het al eind 2016 verwachte, doch uiteindelijk pas 3 januari 2017 verschenen "evaluatie" rapport. Dit is geschreven door PriceWaterhouseCoopers, en bevat feitelijk de "historie" van de salderings-regeling, oorspronkelijk verwoord in artikel 31-c van de Elektriciteitswet. En diverse financiële overwegingen die van toepassing worden verklaard op verschillende doelgroepen. Er worden geen "beslissingen" in voorgesteld, dat wordt doorgeschoven naar het Ministerie van Economische Zaken en door hen geraadpleegde lobby groepen en andere betrokkenen. Wel staan er de nodige curieuze aannames, fouten e.d. in het rapport. Die Polder PV heeft besproken in een apart document.

Ik kon van de diensten van Lars Boelen, bekend van o.a. zijn spraakmakende Twitter bijdragen, gebruik maken om dat document tijdelijk op zijn server te stallen, gezien de actualiteit van het thema. En het feit dat ik tijdelijk nog geen uploads kon doen. Waarvoor uiteraard grote dank.

Het oorspronkelijke document kon geraadpleegd worden via deze link:

http://larsboelen.nl/2017/01/gastpost-commentaar-evaluatie-van-de-salderings-regeling-door-pwc/

Zoals reeds aangekondigd zou ik het artikel weer op mijn eigen website plaatsen zodra ik weer artikelen kon uploaden. U vindt het stuk op een aparte nieuwspagina (inclusief enkele tekstuele correcties en wat nieuwe referenties, geen grote wijzigingen) via de link hier onder. Let u s.v.p. ook vooral goed op de slotparagraaf "gifbekertje SDE heffing (ODE)". Een aspect wat door slechts weinig lieden is opgemerkt. Maar wat dramatische gevolgen kan hebben voor alle resterende huishoudens met Ferrarismeters, als daar "werk" van gemaakt zou gaan worden door machthebbers met een erg kortzichtige visie ...

Commentaar op PwC rapport "De historische impact van salderen" door Polder PV
(4 januari 2017)

 


 
^
TOP

3 januari 2017: Verbruiks-cijfers Polder PV in 2016 (upload 11 jan. 2017). Er is weer een jaar voorbij, dus de balansen m.b.t. de energie- en water verbruiken kunnen weer worden opgemaakt in ons kleinbehuisde (73 m²), zuinige 2-persoons huishouden.

Elektra

Hier boven de totale netto stroom consumptie per kalenderjaar (getal bovenzijde niet geel gekleurde kolommen), de zonnestroom productie per jaar (geel, stapsgewijs groter wordend door systeem uitbreidingen), en eventueel in elk kalenderjaar optredende kleine "overschotten" (eerste "beetje" in 2012). Die ik onder de X-as heb weergegeven. En die dus netto netinvoeding op kalenderjaar-basis inhouden. Die overschotten zijn in ons complex gewoon direct geconsumeerd door de buren. Via de eigen stroommeters, waar over gewoon energiebelasting, SDE heffing, en btw wordt betaald. En waarvoor de buren dus "gratis" i.p.v. vieze grijze mix, wat zonnestroom elektronen hebben mogen consumeren...

In 2016 hebben we zelf zoals gebruikelijk relatief weinig elektra verbruikt, 1.096 kWh. 133 kWh van onze opwek is netto bezien, op jaarbasis, het net op gegaan. Midden op de dag hebben we vaak overschot, wat automatisch naar de buren vloeit. Uiteraard gebruiken we 's avonds net als iedereen stroom van het net. Wat dominant via gas- en kolencentrales wordt opgewekt in ons land, al komt er steeds meer windstroom en (sterk decentraal opgewekte) zonnestroom op het distributienet. De meeste zonnestroom wordt echter, zeker in stedelijke omgevingen, momentaan verbruikt, vaak binnen dezelfde straat waar het wordt opgewekt.

Kookgas

Het tweede exemplaar laat ons volledig bemeten schriele verbruik aan kookgas zien. Met in oranje een lineaire trendlijn. De meting geschiedt via een officiële, gecertificeerde G1,6 gas meter. Bijna alle "normale" huizen hebben minimaal G4 tot G6 meters! De grafiek laat een mooie dalende lijn zien, grotendeels veroorzaakt doordat werd overgestapt op een elektrische waterkoker i.p.v. de klassieke fluitketel. Verder minder ingewikkeld, korter koken, en vaker uit huis geweest. We verbruikten in 2016 slechts 15,8 m³ kookgas. Dat is een fractie van wat een Nederlands "gas huishouden" (warmte, tapwater en kookgas) verbruikt, want dat was in 2015 volgens het CBS - alweer fors verder gedaald - 1.250 m³. En ook alweer een stuk minder dan de hoge claim van MilieuCentraal ("gemiddeld 1.500 m³/HH.jr"). Desondanks blijven we de "volle mep" aan aansluit- en meterkosten betalen voor het equivalent van een "standaard gaswoning", aan de netbeheerder. Die we vervolgens weer - slechts gedeeltelijk - "terug krijgen" van onze stadswarmte leverancier, omdat er een vermeend "Niet Meer Dan Anders" principe (warmte vs. gas) gehanteerd zou worden...

Warmte (incl. tapwater, excl. kookgas)

De beruchte stadswarmte voorziening blijft een pain in the ass in het zuinige huishouden van Polder PV. Dat heeft niet zozeer met het getoonde kalenderjaar verbruik te maken, integendeel. Maar wel met de blijvend migraine veroorzakende #vastrechtwoeker die er mee gepaard gaat. ACM heeft alweer aangekondigd, dat de warmte monopolisten nog meer vastrecht mogen gaan vragen, terwijl de gas tarieven de laatste jaren alleen maar omláág zijn gegaan. U hoeft weinig fantasie te hebben hoe PPV daar over denkt, stelt u zich wat donkere wolkjes boven een poppetje met een paars-rood aanlopend gezicht voor...

Vattenfall heeft nog steeds (10 jan. 2017...) geen nieuwe tarieven bekend gemaakt. Dus of ze dat gratis douceurtje van ACM gaan innen, of dat ze de "schade" zullen beperken blijft nog even afwachten. Bijna altijd, als ACM een "max." tarief aankondigde in de afgelopen jaren, werd dat grif door alle monopolisten omarmd, en gingen ze allemaal op die "max". zitten...

Ondertussen is het enige wat huurders als ondergetekende "kunnen" doen aan het inperken van die inhaligheid bij de warmte leveranciers, de radiatorkraan zo weinig mogelijk open, en het tapwater verbruik reduceren. Echter, we zitten al sedert we hier wonen - bewust - op zeer lage verbruiks-cijfers. En het resterende verbruik wordt in extreme mate bepaald door de "koude" in een bepaald jaar. Zo zal in een "warm" jaar het aantal GJ zeer beperkt kunnen blijven (2002, 2014, slechts rond 6 GJ/jaar), maar als er zelfs maar korte hevige koude periodes in zo'n jaar vallen, schiet ook bij Polder PV het verbruik omhoog (met name in 2010, toen we op het dubbele verbruik kwamen, ruim 12 GJ). Toch hebben we ondanks een koude november maand in 2016 de schade kunnen beperken, en kwamen we uiteindelijk op 7,74 GJ uit. Iets lager dan het langjarige gemiddelde (blauwe stippellijn, 8,23 GJ/jaar). En extreem veel lager dan het regelmatig door de sector én ACM rondgetoeterde zogenaamde "gemiddelde" jaarverbruik van 35 GJ/jaar (ruim een vijfde van dat veronderstelde gemiddelde). De meeste huurders zullen - soms extreem - veel minder verbruiken dan genoemde hypothetische 35 GJ/jaar, en zullen net als Polder PV lijden onder de absurde vastrecht tarieven, die elke zin tot besparing in de kiem smoren. Het ziet er tot nog toe helaas niet naar uit dat de politiek deze trieste situatie wil aanpakken, die blijven zich achter de cijfer tovenarij van de zogenaamd "onafhankelijke" marktwaakhond ACM verschuilen. En tonen aan een zeer substantieel deel van de warmteklanten, de al jaren met forse huurverhogingen gepakte huurders, dovemansoren, waar het de absurde discrepantie tussen verbruiks- en vastrecht-gerelateerde kosten betreft.

Waterverbruik

Polder PV houdt ook al jaren nauwkeurig het drinkwater verbruik bij, en het volume wat hij bespaart aan uit de regentonnen "geviste" hoeveelheid water voor de toiletspoeling (simpel emmertjes water dragen alhier). Zoals u eerder al heeft kunnen lezen, is Polder PV dit jaar helaas getroffen door een geniepige, forse drinkwater lekkage in een van de kruipruimtes. Die al die jaren onbereikbaar was. En die pas nadat de oude vloer was opengebroken, toegankelijk werden. Met direct de bevestiging van de al eerder geuitte vrees, dat er iets goed mis moest zijn met de water "infrastructuur" ergens in het appartement. Zie artikel van 6 november 2016.

Het hier boven afgebeelde plaatje mag dan ook geen verrassing meer zijn, maar hij blijft natuurlijk wel schokkend voor een zuinig huishoudens als Polder PV. Ik heb de Y-as heftig moeten aanpassen, om het verspilde drinkwater in 2016 afgebeeld te krijgen. Tot en met 2015 was het gemiddelde verbruik (alleen drinkwater) 24,4 m³/jaar, inclusief 2016 is dat opeens met 5,7% toegenomen naar 25,8 m³/jaar. Nog steeds is dat extreem veel lager dan de ruim 43 m³ per persoon wat in een NL huishouden zou worden verbruikt volgens de claim van drinkwater belangen vereniging VEWIN (sector cijfer overzicht 2015). Maar onbevredigend blijft het natuurlijk, zelfs al hadden we geen enkele controle over dat vervelende lek in een ondergrondse drinkwater leiding.

Overigens hebben we inmiddels, begin 2017, bericht van de verhuurder, dat de kosten van de lekkage gedeclareerd kunnen worden, op basis van verschil verbruiken van de jaarnota's van het drinkwaterbedrijf. Dat is dan nog een schrale troost voor deze ongeziene verspilling...

Computer verbruik

De energiezuinige micro-computer (groen) heeft alweer een veel lager verbruik dan het vorige exemplaar (blauw), die al een fors minder verbruik had dan de oude "tower" (rood). "Dips" omlaag zijn periodes dat we langdurig van huis waren (computers etc. uit). Wel gebruik ik de nieuwe computer zeer intensief, dagelijks, en langdurig. Het totale jaarverbruik van die computer, in combinatie met een spaarlamp voor de avond uurtjes, is een substantieel deel van ons lage jaarverbruik, 189 van bijna 1.100 kWh. We hebben weinig zware apparatuur, de enige apparaten die verder echt invloed hebben - naast de energiezuinige koelkast - zijn de waterkoker, het koffiezet apparaat, en de wasmachine, die we 2, max. 3x in de week gebruiken. De meeste andere apparatuur wordt weinig gebruikt.

Afijn, de belangrijkste jaar statistieken zijn inmiddels weer afgerond. Nog genoeg cijfermateriaal om ons verder over te buigen.

Bron:
Maandelijkse meterstand opnames alle energie en water modaliteiten Polder PV


 
^
TOP

28 december 2016: Record toevoeging nieuw PV vermogen aan projecten spreadsheet Polder PV: +169 MWp capaciteit, 835 nieuwe zonnestroom genererende, grote installaties. In juli verscheen mijn voorlaatste update van mijn snel uitdijende PV projecten sheet. Vlak voor het einde van het jaar doe ik de zonnestroom sector mijn huidige update van datzelfde overzicht cadeau. Het overzicht is enorm snel gegroeid, want sedert juli heeft de webmaster van Polder PV maar liefst 835 nieuwe, reeds aan het net gekoppelde projecten toegevoegd, met een extra capaciteit van 169 MWp. Het betreft projecten, per stuk minimaal 15 kWp qua omvang. Waarbij de nadruk ligt op de grote installaties, waarvan velen een capaciteit hebben van vele tientallen tot enkele honderden kWp. Ook zijn er de nodige projecten opgeleverd met een "M" i.p.v. een "k" in de eenheid voor capaciteit. Het allergrootste deel van de nieuwe project toevoegingen betreft nieuwe installaties voor 2016, een klein deel betreft in eerdere jaren opgeleverde projecten ("late ontdekkingen"). Het grootste deel van de nieuwe installaties heeft SDE 2014 subsidie. In een uitgebreide, separaat op de website gepubliceerde analyse, doe ik de details van al het verzamelde moois voor u uit de doeken. Hier onder enkele highlights uit dat gedetailleerde overzicht. Alle data betreffen minimum afschattingen. In werkelijkheid is er al meer gerealiseerd. Er wordt immers beslist niet over alle opgeleverde projecten in de publieke ruimte gepubliceerd (of de informatie is moeilijk vindbaar).

Vermoedelijk momenteel het grootste single-site PV project in mijn eigen provincie (ZH) "onderweg". Zonnepanelen op de vernieuwde daken van de lage gebouwen met de "langzaam zandfilters", van duinwater bedrijf Dunea in Scheveningen. De eerste 850 panelen waren medio september 2016 opgeleverd. Een tweede nieuwsbericht op de site van Dunea, van medio november 2016 suggereert dat er al 6.400 modules op de daken zouden liggen, geïnstalleerd door het van Solarpark Ameland bekende Solarcentury Benelux uit Helmond. Er is destijds een SDE 2014 beschikking verworven voor 1,5 MWp. Foto van webmaster van Polder PV, dd. 20 augustus 2016, toen er nog maar een paar daken waren vol gelegd.

Enkele kerncijfers van de PV projecten lijst van Polder PV:

Totaal momenteel 4.551 "single-site" PV projecten >=15 kWp per stuk opgenomen in overzicht Polder PV.

Dit totaal omvat 499 MWp aan opgestelde capaciteit. Van 20 MWp is netkoppeling nog niet zeker ("pending").

Genoemde grote hoeveelheid projecten telt inmiddels 2,1 miljoen zonnepanelen (alle typen, van a-Si tot "klassiek" kristallijn).

In het overzicht zijn de "niet media-genieke" kleinere projecten tot en met 50 kWp beslist flink ondervertegenwoordigd. In werkelijkheid zullen er véél meer van dergelijke projecten zijn gerealiseerd, maar wordt er niets over gepubliceerd.

Van genoemde 4.551 projecten hebben minimaal 1.792 exemplaren een (of meerdere) SDE beschikking(en).

Genoemde projecten met SDE subsidie beschikkingen hebben een gezamenlijke capaciteit van 379 MWp.

Tot nog toe zijn (waarschijnlijk) 980 projecten met SDE 2014 beschikkingen geïdentificeerd, met in totaal 277 MWp vermogen.

Voor de SDE regelingen zijn twee grafieken met uitsplitsingen per jaar-ronde gemaakt.

Voor kalenderjaar 2015 is tot nog toe een totaal van 132 MWp nieuw gerealiseerd (netgekoppeld) vermogen bij de grotere projecten geturfd.

Dat volume is voor 2016 inmiddels al 206 MWp, met nog een forse hoeveelheid toe te voegen verwacht.

In mijn projecten lijst zijn maar liefst 1.183 installaties per stuk 100 kWp of groter opgenomen.

Het gezamenlijke vermogen van deze groep grote >=100 kWp installaties is al 363 MWp*.

Van deze installaties zijn reeds met zekerheid aan het net gekoppeld 33 stuks, elk met een omvang van 1 MWp of groter.

Die 33 "grootste single-site installaties" hebben al een gezamenlijk vermogen van ruim 90 MWp.

Het grootste Nederlandse netgekoppelde PV project is Sunport Delfzijl, 31,8 MWp, ruim 116.000 panelen. Wat medio december 2016 is opgeleverd. In januari 2017 volgt de feestelijke inhuldiging.

Het systeem-gemiddelde vermogen van alle genoemde 4.551 projecten is opgelopen tot 110 kWp.

Als we categorieën "multi-sites" en "capaciteit onduidelijk" meetellen, staat er al minimaal 569 MWp aan grotere PV projecten in Nederland. Verwacht wordt, dat dit in werkelijkheid zelfs nog behoorlijk groter is (nog veel bronnen niet nageplozen, data achterstanden, "gaten" in publieke informatie).

Het aantal bekende, netgekoppelde grond-gebonden installaties >=50 kWp ("zonneparken sensu stricto") is opgelopen tot 35 stuks, met een gezamenlijke capaciteit van ruim 51 MWp (Sunport heeft een hoge impact bij het geaccumuleerde vermogen).

In de detail analyse wordt uitgebreid ingegaan op diverse ratings met de positie van de 12 provincies op het gebied van de grote(re) PV projecten. De rating volgorde kan zeer verschillend zijn, afhankelijk van de gekozen parameter.

In absolute zin is Noord-Brabant, met bijna 75 MWp, de provincie met de hoogste opgestelde "project-capaciteit".

Bij het aantal grote(re) PV projecten per inwoner, is Flevoland kampioen.

Ditto bij de capaciteit van grote(re) PV projecten per inwoner, waarbij opvallend nieuwkomer op de 2e plaats Groningen is.

Kijken we naar opgesteld vermogen per oppervlakte eenheid per provincie, is Noord-Holland kampioen bij de grotere projecten.

In veel provinciale ratings is Provincie Groningen, soms zelfs spectaculair, gestegen. Dit is vrijwel uitsluitend te wijten aan oplevering van Sunport, eind 2016.

Voor het eerst is een segmentatie naar netbeheerder gemaakt. Liander en Enexis hebben de meeste projecten en capaciteit m.b.t. de grotere PV projecten, en lijken elkaar enigszins in evenwicht te houden.

Het aantal plannen voor grote(re) PV projecten blijft onverminderd hoog. Er staat 2,2 GWp aan projecten klaar in een separate spreadsheet "pending" bij Polder PV. Daarvan lijkt zo'n 690 MWp aan specifiek benoemde lokaties meer of minder "serieus" te zijn.

Daarnaast staan er 35 grondgebonden PV projecten met reeds verzilverde SDE beschikkingen in de steigers, met een gezamenlijke capaciteit van 326 MWp.

Er is dus een blijvende, zeer hoge potentie, om de Nederlandse zonnestroom markt hard verder te laten groeien. Ook op het gebied van de grote projecten markt.

* Tijdens een informeel samenzijn voor The Solar Future 2017, georganiseerd door Solar Plaza op 8 december jl. in Utrecht, werd op mijn verzoek onder de aanwezige professionals nog een poll gehouden over het totale gerealiseerde (net-gekoppelde) volume van de categorie projecten >=100 kWp in Nederland. Toen de "fictieve teller" over de 300 MWp gezamenlijke capaciteit ging, stonden alleen Polder PV en de interim voorzitter van Holland Solar nog (al gaf de laatste toe dat het gesuggereerde volume van "meer dan 300 MWp" meer een "hoop" zijnerzijds was, dan dat hij de actuele stand van zaken zou weten). Inmiddels zit ik dus alweer 21% hoger dan die laatste, door bijna alle aanwezigen kennelijk al als "onmogelijk" (??) geachte afschatting...

Voor uitgebreide toelichting op deze grafische abstract van mijn bijgewerkte single-site PV-projecten overzicht, diverse andere tale-telling grafieken, en een diepgaande bespreking van diverse zaken rond deze materie, zie de uitgebreide analyse.

Herhaalde oproep: lever s.v.p. informatie aan Polder PV over de door u reeds opgeleverde >=15 kWp PV projecten in Nederland. Waarvoor dank!

* Oproep bijdrage project lijsten

Mocht u Polder PV willen helpen om de grote projecten sheet >= 15 kWp verder te vervolmaken, stuurt u dan s.v.p. een e-mail om uw eventuele contributie kenbaar te maken. Wat niet reeds publiek is gemaakt, zal beslist niet door mij aan derden worden doorgegeven of met naam en toenaam worden geopenbaard. Eventueel verstrekte project gegevens blijven geheim, tenzij expliciet anders aangegeven. Polder PV is bereid om een Non-Disclosure Agreement te ondertekenen, mocht dat gewenst zijn. Met grote dank voor uw hulp, deze klus is en blijft een majeure operatie...

Verder s.v.p. lezen op de uitgebreide pagina met detailgegevens over Polder PV's zonnestroom projecten data voor Nederland, met nog meer grafieken (provincie niveau, netbeheer verdeling, etc.):

PV projecten >= 15 kWp

Stand van zaken grote PV projecten overzicht van Polder PV dd. 22 december 2016

 


 
^
TOP

24 december 2016: CBS updates 3. Marktsegmentatie zonnestroom sector 2011 - 2015. Altijd lastig terug te vinden, publiceert het CBS naast talloze andere bijgewerkte energie data, sedert enkele jaren ook een zogenaamde "maatwerk tabel" over zonnestroom. Ook ditmaal werd dat onopvallende tabelletje gepubliceerd "in de luwte" van het overige energie geweld. Maar het is wel een hele belangrijke. Want het is de énige "officiële" poging om te proberen iets van segmentatie te laten zien in de geaccumuleerde capaciteit aan PV systemen in ons land. Ik ga hier voor u weer de laatste stand van zaken uit de doeken doen, met uiteraard een tijdreeks om de laatste cijfers in perspectief te plaatsen. Een van de mooiste opstekers is, dat volgens de CBS rekenmethodiek er eind 2015 al ruim 1 GWp aan residentiële zonnestroom genererende capaciteit zou staan in Nederland.

Voor de eerdere artikelen over de nieuwe CBS cijfers, zie "definitieve eindstand 2015", resp. "vergelijking impact thermische zonne-energie en PV".


Bronnen
CBS gebruikt informatie van RVO "over gesubsidieerde zonnestroom". Daarmee wordt bedoeld: Gerealiseerde PV capaciteit via nationale subsidies als de oude, inmiddels voor de meeste betreffende installaties stapsgewijs aflopende MEP en de inmiddels 9-10 beschikte SDE regelingen 2008-2016 (SDE 2016: 2 rondes, de laatste is "in evaluatie" door RVO). Alle andere - lokale - subsidies heeft CBS geen enkel zicht op. Bovendien wordt hier "salderen" (het allergrootste deel van de Nederlandse PV markt betreffend) kennelijk door het CBS niet als (verifieerbare?) "subsidie" gezien. Daarnaast is er het ook belangrijke, helaas op het vlak van gerealiseerde PV vermogens niet openbare dossier van de EIA regeling, waar zogenaamde "micro-informatie" uit wordt gehaald. RVO registreert kennelijk niet van alle onder de EIA regeling geregistreerde projecten de gerealiseerde vermogens. Door het CBS wordt van de wel bekende een "kengetal" gebruikt, wat staat voor het opgestelde PV vermogen "per geïnvesteerde hoeveelheid Euro". Dat kengetal wordt, merkwaardigerwijs, niet bekend gemaakt. U kunt er vergif op innemen dat het zeker voor de grotere projecten in 2015 reeds in de buurt van een Euro per Wp zal hebben gelegen, als daar de netto investering onder wordt verstaan. Voor de kleinere projecten zal het hoger liggen, de vraag is natuurlijk wat "de mix" zal blijken te zijn geweest in dat jaar...

Daarnaast worden de data van CertiQ gebruikt bij dit onderzoek door CBS (zie mijn gedetailleerde maandelijkse besprekingen, de laatste van november vindt u hier).

Afvangpoging dubbeltellingen
CBS heeft op basis van een koppeling op postcode de "dubbeltellers" - projecten die MEP of SDE hebben genoten én die (tm. SDE 2013) óók EIA konden vangen zo goed en kwaad als dat ging er uitgehaald. Een twijfelachtige aanname daarbij is, dat alle PV capaciteit die niet bij RVO (MEP, SDE, EIA) of CertiQ is ingeschreven, of "bekend is", "bij huishoudens" zou staan. Wat per definitie niet klopt omdat er ook bedrijven zijn die zonder MEP, SDE, of EIA PV panelen hebben aangeschaft. Dat was historisch al zo, en het wordt nog "veel erger", omdat er nu ook, vaak zeer succesvolle, en ongelofelijk snel overtekende crowdfunding projecten worden gerealiseerd. De grootste tot nog toe zonder extra SDE subsidie lijkt, volgens mijn informatie, Caballero fabriek in Den Haag, met 250 kWp geïnstalleerd vermogen (er is de nodige onzekerheid over het daar gerealiseerde volume). Daarnaast hebben we natuurlijk inmiddels al een tijdje de eerste postcoderoos projecten. Momenteel 39 stuks, maar daar moet ik nog nader naar gaan kijken, want de ontwikkelingen gaan snel in dat marktsegment. De meesten die zijn gerealiseerd zijn veelal kleine installaties, maar de grootste, Fablohal Haarlem, is tot nog toe ongeslagen (370 kWp). Van dergelijke projecten is niet bekend of ze (ook) EIA hebben genoten, maar het zal zeker voorkomen dat er steeds meer PV-installaties "op vreemd dak" buiten die regeling om met crowdfunding, regionale subsidies en/of postcoderoos constructies gerealiseerd zijn of nog zullen gaan worden. Ik heb vele tientallen projecten in de "pending" map klaarstaan, van nat achter de oren tot al zeer ver gevorderd bij de financiering (of op het punt om opgeleverd te worden).

CBS suggereert dat bovengenoemde "onderschatting" min of meer gecompenseerd zou worden doordat niet alle dubbeltellingen EIA met MEP of SDE uit de operatie gehaald zouden zijn, wat zou leiden tot een overschatting van het aandeel zonnepanelen bij bedrijven. Daarbij wordt helaas ook nog "even" vergeten dat er duizenden particulieren staan ingeschreven met SDE 2008-2010 subsidies bij CertiQ. Eind 2015 waren er dik 7 en een half duizend gecertificeerde PV-installaties tm. 5 kWp bekend bij CertiQ, de meesten daarvan zullen bij particulieren staan. Op het totaal (mogelijk al zo'n 360.000 PV installaties, eind 2015, zie verderop) valt dat nog wel mee, maar het is wel iets wat meestal over het hoofd wordt gezien.

Een andere mogelijke "balancerende factor" is de suggestie van CBS dat na goedkeuring van een EIA aanvraag, een project alsnog niet zou doorgaan - wat kennelijk volgens de statistici dus ook voorkomt. Hopelijk niet op een vergelijkbaar niveau als het bizar teleurstellende resultaat van de eerste SDE regelingen, waar enorm veel uitval van beschikt volume is geweest, en wat we waarschijnlijk ook in de latere regelingen zullen gaan terugzien (laatste SDE inventarisatie van Polder PV, 16 november jl., alhier).

Alle plussen en minnen bij elkaar optellend, schat CBS wederom in dat, voor 2015, de gepubliceerde verdeling van PV vermogen naar sectoren "niet heel exact is, maar dat hij wel voldoende nauwkeurig is voor een beeld op hoofdlijnen".

Als we van dat laatste uitgaan, zou de marktsegmentatie van PV capaciteit verdeeld over 6 sectoren er inmiddels zo uit moeten zien volgens de eerder gepubliceerde, en de laatst toegevoegde cijfers.


Grafiek

Voor de vijf jaren dat CBS nu de cijfers heeft gepubliceerd in haar jaarlijkse maatwerktabellen zijn hier de 6 onderscheiden marktsegmenten gestapeld weergegeven, met de totale eindejaars-accumulaties vetgedrukt in cijfers bovenaan de kolommen. Ik heb ditmaal ook de volgorde gewijzigd. Het grootste marktsegment voor het jaar 2015 staat nu onderaan, de kleinste bovenaan. De residentiële sector mag namelijk ontegenzeggelijk, en onweerlegbaar, blijvend als "de dragende zuil" van onze zonnestroom markt worden gezien. Dat wordt nu in bovenstaande grafiek kristalhelder weergegeven. NB: de overige jaren zijn in de spreadsheet gekoppeld aan de volgorde in het laatste jaar, dus daar kan de volgorde in de kolommen soms "onlogisch" lijken gezien de weergegeven deel-volumes (voorbeeld: 2012).

De bovenste drie segmenten hebben bij elkaar een zeer gering aandeel van nog geen 6% (87 MWp) op het geheel van 1.515 MWp, eind 2015. De sector "energiebedrijven" is weer een beetje gegroeid, nadat in de periode 2012-2013 er een (kennelijke) stagnatie was in die sector. Ook de "industrie" groeide aardig, tot een volume van 27 MWp. Wat natuurlijk logisch is, want als daar al iets wordt geplaatst, gaat het om forse installaties. Het is daarbij echter niet duidelijk waar hier de "grens" ligt bij CBS. Is bijvoorbeeld het eind 2015 op de valreep opgeleverde 6 MWp park bij Ballum op Ameland zo'n installatie? Het is beslist "industrieel van omvang". Maar een derde deel hoort bij "energiebedrijven" (Eneco), een derde deel is van de gemeente (zou ik onder "dienstensector" scharen), en nog een derde deel is van de lokale energie coop (AEC, idem). De bouwsector blijft een beetje achter de feiten aan hobbelen, en had eind 2015 volgens deze CBS segmentatie nog maar 19 MWp staan. Slechts ruim een procent van het totaal.

Opvallend is verder, dat, zoals door mij al tijdens eerdere The Solar Future conferenties voorspeld, de dienstensector in 2014 flink is gegroeid (inclusief de op dit vlak zeer actieve gemeentes!), en haar in 2013 opgelopen achterstand op de agrarische sector toen enigszins goed maakte. Beide sectoren hadden eind 2014 vrijwel even grote aandelen van bijna 12,5% op het totaal (grofweg 130 MWp per segment). Landbouw groeide echter volgens deze CBS segmentatie in 2015 toch nog iets harder, en heeft nu 1% meer van de geaccumuleerde PV capaciteit in handen: 198 MWp, t.o.v. de 179 MWp in de dienstensector, eind 2015.

Maar boven alles blijft de residentiële sector uittorenen, met eind 2014 al 732 MWp van het totaal van 1.048 MWp (70%). En aan het eind van 2015, met wederom een respectabele jaargroei van zo'n 319 MWp achter de kiezen, uitkomend op dik 1 GWp, 1.051 MWp, volgens deze grove CBS inschatting. Daarbij is het aandeel op het totale geaccumuleerde volume slechts 1 procent omlaag gegaan. Met een "impact" van nog steeds 69% procent van het totaal. Een zeer substantieel, zelfs het belangrijkste deel van de totale Nederlandse PV markt, staat bij particulieren op hun dak. Knoop die s.v.p. voor de zoveelste maal in uw oren, ook als u aan een eventuele "politiek gemotiveerde ingreep" in het fenomeen salderen van zonnestroom denkt. U kunt over dat "nogal hete" onderwerp alles lezen, in de talloze artikelen in mijn enorme literatuur lijst op de speciale link pagina "het nieuwe salderen".

De "rest" van de markt, 464 MWp van het geaccumuleerde volume, bestond eind 2015 dus uit niet-residentiële installaties. Waarvan het overgrote merendeel (ruim 81%), grofweg evenredig verdeeld, bij de landbouw en bij de dienstverlenende sectoren stond opgesteld.

Voor een eerdere "90% zou residentieel zijn" discussie, gelieve het voorgaande artikel over de status in 2014 te lezen.

In bovenstaande grafiek (samenvatting van inmiddels vijf maatwerktabellen gepubliceerd door CBS), zijn historische cijfers in de deelsegmenten niet gecorrigeerd (CBS heeft die namelijk niet opnieuw berekend). De verhoudingen in de drie jaren 2011-2013 zijn derhalve bepaald t.o.v. de in zwarte cijfers weergegeven totalen bovenaan de kolommen. Later zijn die totalen licht gereviseerd door CBS, die nieuwe totaal-cijfers heb ik weergegeven in rood, om de - relatief bescheiden - verschillen in ieder geval te duiden. Die nieuwe "historische" cijfers zullen echter relatief weinig impact hebben gemaakt op de verhoudingen tussen de verschillende marktsegmenten. Hoe dat precies heeft uitgepakt zou de beschikbaarheid van exacte cijfers van die markten vergen, en die cijfers zijn er gewoon niet. We moeten het dus doen met bovenstaande getallen, geleverd door het CBS, en de door Polder PV daarvan afgeleide berekeningen.


Detail cijfers marktsegmentatie
Op basis van de voormalige rapportages, en de nieuwste data voor 2015, heb ik onderstaande bijgewerkt overzicht gemaakt voor de deelmarkt data. Daarbij nogmaals de waarschuwing, dat de totale jaarcijfers later zijn gewijzigd, wat lichte verschuivingen van de "oudere deelmarkt cijfers" opgeleverd zou kunnen hebben (tm. 2013). Maar het gaat hier om het globale beeld, en de progressie van de deelmarkten.


KLIK op plaatje voor uitvergroting

In de eerste deeltabel de progressie van de door CBS in hun oorspronkelijke maatwerktabellen aan marktsegmenten "toegewezen" vermogens bij de geaccumuleerde volumes (in zwarte cijfers, in MWp uitgedrukt). Daarnaast heb ik telkens het aandeel van dat segment op het totaal voor dat jaar uitgerekend (in procent weergegeven in violet). Daaruit blijkt al de dominante positie van de residentiële markt, gegroeid tot 70% in de jaren 2012-2014, en slechts licht afgezwakt tot 69% in 2015. Alleen landbouw en de dienstensector zijn verder "van betekenis", met licht wisselende aandelen tussen de 11-18%, afhankelijk van het jaar. De agrarische sector zou er in 2014 een procent op achteruit zijn gegaan, de dienstensector won toen een procent. In 2015 zouden de percentages voor die beide sectoren zijn gestabiliseerd. Maar, gezien de onderzoeks-methodiek, kunnen dergelijke geringe variaties ook best fouten binnen de (forse) statistische ruis vertegenwoordigen. In ieder geval lijkt er bij de aandelen in de accumulaties van die marktsegmenten relatief weinig te zijn gewijzigd in de afgelopen vier jaar. Landbouw lijkt qua aandeel net een streepje voor te hebben sinds 2011. Daar was naast de residentiële markt de grootste absolute groei t.o.v. eind 2014 te zien: 67 MWp toename in 2015. In de diensten-sector was dat een stuk minder, 49 MWp. Ik vermoed dat dit te maken heeft met een begin van de oplevering van al behoorlijk wat "zeer grote" PV projecten in met name de intensieve landbouwsector, het grootste deel daarvan met SDE 2014 subsidie. Een trend die zich in 2016 verder heeft versterkt.

De bouw blijft nog steeds op 1% van het totaal steken, met slechts 4 MWp groei in 2015, weer iets minder dan in 2014. Kennelijk is het veelbesproken Nul Op de Meter (NOM) gebeuren in dat jaar nog steeds niet goed "op de rol" gezet, en dat had waarschijnlijk te maken met een sterk vertraagde wetswijziging rond de zogenaamde energieprestatievergoeding, die pas 1 september 2016 is opgenomen in het Burgerlijk Wetboek. Dat potentieel zeer interessante marktsegment heeft in 2015 dus nauwelijks impact gehad op het aandeel van "de bouw".

Na kennelijke stagnatie bij de "industrie", in 2014 ("nul-groei" ?!), is er weer een procentpuntje extra gescoord, met een jaarlijkse nieuwbouw van ongeveer 13 MWp in dit segment, in 2015. Dit zal substantieel wijzigen in de cijfers voor 2016, want er zijn enorme, SDE 2014 gesubsidieerde projecten gerealiseerd (waar onder het grootste, 30,8 MWp Sunport in Delfzijl, eind 2016). In 2015 werd er tot slot 15 MWp nieuwbouw gepleegd in de sector "energiebedrijven". Dat is een zeer brede begrip. Het stikt op onze markt immers van aanbieders (alleen al 50 stroom cq. 50 gas leveranciers), en er zijn talloze vage intermediaire bedrijven die "actief zijn in de energiemarkt". De vraag is hoe die precies worden meegeteld in de statistieken. Feit is dat ondanks een lichte toename in 2015, de sector op slechts 3% aandeel komt van het totaal. Haar impact van 8% in 2011 is de (klassieke) energiesector al lang kwijtgeraakt. De zonnestroom activiteiten worden door talloze andere actoren uitgevoerd, zelfs de zeer grote projecten.


Groei residentiële sector per jaar
Uit het "accumulatie staatje" hierboven volgen jaarlijkse toenames van, o.a. het belangrijkste marktsegment, de residentiële sector als volgt (in MWp nieuw toegevoegd per jaar). NB: hierbij is geen rekening gehouden met de historische wijzigingen van de totale accumulaties tm. 2013, die terug te voeren zouden moeten zijn op lichte wijzigingen van de afzonderlijke categorieën in die eerste drie jaren (de deelcijfers zijn niet opnieuw berekend door het CBS).

  • 2012 +169 MWp (77% van totaal)
  • 2013 +261 MWp (69% van totaal)
  • 2014 +216 MWp (72% van totaal)
  • 2015 +319 MWp (68% van totaal)

Als de aannames van CBS, en de daar uit resulterende data "ongeveer" zouden kloppen, is de groei van de belangrijke residentiële markt, die sedert de nationale subsidieregeling in 2012-2013 (zomer tm. zomer) heftig was toegenomen, in 2014 weer met zo'n 17% verminderd t.o.v. de toename in 2013 (216 resp. 261 MWp). Waarbij de in de plaats van de nationale subsidie gekomen mogelijkheid tot teruggave van btw over de aankoop (gevolgen "Fuchs Arrest") kennelijk een minder groot stimulerend effect had op die residentiële markt. Maar, en dat is best wel opvallend te noemen, uit deze "afgeleide veronderstelde jaarlijkse groeicijfers" volgt óók, dat in 2015 die residentiële markt met maar liefst 48% zou zijn toegenomen, van 216 MWp in 2014, naar 319 MWp in 2015! Dat is een zeer fors verschil, en laat een hoge groei zien. De vraag is dus, of hier wellicht andere statistische aberraties zijn opgetreden, zoals het missen van forse hoeveelheden capaciteit in de "non-residentiële" markt segmenten door het CBS, en/of mogelijk onterechte uitgangspunten bij het bepalen van de accumulaties van de capaciteiten per marktsegment. Ik ben benieuwd wat installatiebedrijven van dit opmerkelijke verschil in "potentieel marktaandeel" van het residentiële segment tussen de jaren 2014 en 2015 zullen vinden.

Van grove CBS cijfers naar mogelijk aantal residentiële adressen met PV - een poging
Hoe je het ook wendt of keert: dit zijn wel cijfers van het CBS, wat normaliter als robuuste rekenaar wordt gezien. Als we er van uitgaan, dat bovenstaande marktgroei cijfers voor de residentiële markt "ongeveer kunnen kloppen", kunnen we ook grofweg uitrekenen, wat ongeveer het aantal residentiële installaties zou kunnen zijn in deze jaren. Ik ben voor 2012 en 2013, toen een relatief hoog gemiddelde systeem niveau tijdens de nationale subsidie regeling werd bereikt (in 2012 2,9 kWp, in 2013 3,2 kWp per installatie), van die hogere volumes uitgegaan, maar heb voor 2014 en 2015 iets voorzichtiger gerekend, omdat de neiging om het hele dak vol te leggen minder uitgesproken zal zijn geweest (terug naar 2,8 kWp in 2015, bijna 11 moderne panelen à 260 Wp per woning). Dat laat onverlet dat een recent overzicht van residentiële Nederlandse installaties als dat van Anton Boonstra (GoT participanten) uitkomt op een systeemgemiddeld vermogen van zelfs 3,8 kWp. Ik reken echter conservatief, want er zijn ook veel kleinere installaties in Nederland.

Met deze gegevens, het accumulatiecijfer voor eind 2010 van Klimaatmonitor (gedomineerd door particuliere installaties bij de aantallen), en een opwaartse correctie voor Klimaatmonitor omdat zelfs daar nog capaciteit in ontbreekt, kom ik op een grove afschatting van mogelijk zo'n 360.000 geaccumuleerde (residentiële) PV installaties, eind 2015. Dat is nog steeds fors minder dan de "ruim 400.000" waar Milieucentraal in juli 2016 mee kwam voor eind 2015. Waarbij niet alleen bij Polder PV de nodige vraagtekens op het netvlies verschenen (zie Twitter draadje na deze Tweet van Selina Roskam van RVO). Want 40.000 "missende" residentiële installaties zou al rap neerkomen op minimaal zo'n 100 MWp capaciteit wat je dan over het hoofd zou zien. Dat lijkt onmogelijk gezien het feit dat de Klimaatmonitor accumulatie curve en die van het CBS op het vlak van capaciteit (MWp) inmiddels zeer dicht bij elkaar liggen.


"Lokaal geïnitieerde" PV-capaciteit
Hoe de door Schwencke et al voor Hier Opgewekt getelde "7 MWp PV vermogen in 67 collectieve projecten sinds 2012" binnen de CBS segmentatie "vallen" is ook een lastig te beantwoorden vraag. Projecten die door commerciële aanbieders gedragen worden (o.a. SolarGreenPoint, Zonnepanelendelen) zouden best wel eens onder "de energiesector" kunnen zijn opgenomen. Pure coöperatieve en ook wellicht crowdfunded projecten die bij "ontzorgers" zoals Greencrowd zijn ondergebracht, zouden in theorie onder "dienstverlening" kunnen vallen. Maar hier zijn nog geen goede "afperkende" definities voor bekend, die statistisch "hanteerbaar" zijn. Het volume is ook in 2015 nog te klein om te kunnen opvallen in bovenstaand, grove overzicht. Het is nog minder dan een half procent van de totale markt omvang. Over postcoderoos constructies hebben we het dan ook nog steeds niet, dat volume was nog zeer bescheiden in 2015. Momenteel heb ik 39 fysiek opgeleverde "PCR" projecten in een lijstje van Polder PV, met een totaal volume van 2,7 MWp. Het grootste deel daarvan is echter pas opgeleverd in 2016, en hoort dus niet bij de cijfers voor 2015.

In lichtgele vakjes met rode cijfers (laatste kolom van de eerste tabel) zijn de gewijzigde jaartotaal cijfers voor 2011-2013 te zien. Voor 2014 is geen correctie gepubliceerd door CBS, 2015 is nu pas bekend gemaakt. De jaartotalen in zwarte cijfers zijn gebruikt voor de deelsegment berekeningen. Die zijn niet "overgedaan" door CBS, in hun laatste maatwerk tabellen voor 2014 en 2015. Daar staan uitsluitend cijfers voor die kalenderjaren in. De daardoor optredende (onbekende) verschillen zullen klein zijn geweest. De allerlaatste kolom bevat de procentuele afwijking van de nieuwe totaalcijfers t.o.v. de oude. De verschillen zijn klein, maar moeten worden genoemd: 2,8%, 1,1%, resp. 0,9% voor de EOY accumulatie cijfers voor de jaren 2011, 2012, en 2013.


Jaargroei cijfers
De tweede deeltabel geeft de jaargroei (YOY) cijfers van de eerste vier jaar (NB: voor 2011-2013 met de oude deelmarkt cijfers), incl. die voor 2014-2015 weer, per marktsegment.

Na stagnatie in 2013, groeide het PV vermogen in "de energiesector" maar liefst met 73%, en viel wat terug naar 58% in 2015. De groei in de industrie stagneerde in 2014, en veerde weer op met 93% in 2015. De bouw viel verder terug naar een matige groei van 27%. De dienstensector liet ook lagere groeicijfers zien (maar wel hoge absolute volumes), 38% groei in 2015. De landbouwsector groeide versterkt door, met 51%, na de "relatief lage" groei in 2014 (31%). Bij dit soort cijfers s.v.p. nooit vergeten dat, als je al een flinke omvang hebt bereikt, het halen van zeer hoge YOY groeipercentages al snel veel moeilijker wordt. Je mag dan al blij zijn met toenames van 20% of hoger. Daar zitten alle sectoren nog steeds fors boven. De dragende zuil van de Nederlandse PV-sector, de huishoudens, bleef het, zeker gezien het eind 2014 al zeer hoge totaal volume, ook in 2015 prima doen. Met een nog steeds spectaculaire groei van 44% t.o.v. het eindejaarsvolume van 2014. Complimenten aan de voortvarendheid bij de Nederlandse burgers, die natuurlijk voor een hoge prijs (anno 2015 zo'n 22-23 cent per kWh waarvan 72% belastingen...) op jaarbasis mochten salderen. En ook nog eens, als ze daar trek in hadden, btw over het aankoopbedrag mochten (niet "moesten") terugvragen van het Ministerie van Financiën.

Als we naar die voorlaatste kolom kijken zou je, naief als je wellicht zou kunnen zijn, kunnen schrikken van de sequentie van de jaargroei percentages van 152 > 102 > 42 > 45% in de periode 2012-2015. Dat hoeft absoluut niet, 45% in 2015 is een uitzonderlijk mooie groei voor een al behoorlijk grote markt als de Nederlandse. Meer is beter, maar we moeten geen "plofmarkt" krijgen, zoals in veel EU landen helaas is geschied (meestal als gevolg van dramatische en heftige "ingrepen" in de incentive regimes). Dan maar beter doorgroeien met 40-50 procent per jaar of daaromtrent... Let in de allerlaatste kolom met gele vakjes op de rode cijfers, die de exemplaren voor de oude maatwerktabellen vervangen (wegens aanpassingen van historische totaal cijfers door CBS). Dan komen we dus op 40% jaargroei in 2013-2014, gevolgd door de reeds genoemde (ongewijzigde) 45% voor 2015. Een mooi resultaat, gezien de extreme dynamiek in de markt.


CAGR jaargroei cijfers in periode 2011-2014
Tot slot heb ik ook in de derde deeltabel de CAGR (Compound Annual Growth Rate) berekening voor de gemiddelde jaargroei cijfers uitgezet voor de marktsegmenten in de oude maatwerktabellen, voor de periodes 2011-2015, 2012-2015, 2013-2015, en 2014-2015.

De "gemiddelde jaargroei" ("yearly growth", YGr) in de periode 2011-2015 is natuurlijk zeer hoog, omdat we in een enorme groeifase zitten in deze periode, met percentages oplopend van 39% (e-bedrijven) tot zelfs bijna 90% voor de sectoren landbouw en de huishoudens. Dat is dus gemiddeld per jaar over een periode van 4 jaar (bovenste regel "2011>2015"). Het gemiddelde percentage voor de complete populatie kwam in die periode op 80%/jaar, en, met de historische correcties door CBS (laatste kolom) op gemiddeld 79% per jaar. Voor de laatst bekende jaargroei, die van 2014-2015, is dat niveau lager maar beslist nog respectabel. In dat jaar zien we gemiddelde jaargroei cijfers van 27% (bouw) tot zelfs 93% (industrie). Een zeer gezond groei percentage van 44% voor de eind 2014 al 732 MWp grote residentiële sector. En een totaal resultaat van 45% in een jaar tijd voor alle installaties. Een zeer mooi percentage. Mijn verwachting voor 2016 ligt in ieder geval, gezien een voorzichtige, grove eerste afschatting van mogelijk rond de 2 GWp eind 2016, dat het vijfjarige CAGR groeipercentage vanaf 2011 tot en met dat jaar zou kunnen gaan uitkomen op gemiddeld 32%/jaar. Wat nog steeds een uitzonderlijk mooi resultaat zou zijn, als dat gaat uitkomen.

Besprekingen oudere CBS maatwerktabellen PV sector door Polder PV:
2011-2014 (17 december 2015)
2011-2013 (8 januari 2015)
2011-2012 (18 november 2013)
2011 (23 december 2012)

CBS: Zonnestroom naar sector, 2015 (maatwerktabel, 21 december 2016)


actueel 138 137 136 135 134 133 132 131 130-121 120-111 110-101
100-91
90-81 80-71 70-61 60-51 50-41>>> highlights

 
 
 
© 2016-2017 Peter J. Segaar/Polder PV, Leiden (NL)
^
TOP