zontwikkelingen "oud"
links
PV-systeem
basics
grafieken
graphs
huurwoningen
nieuws
index
 

SOLARENERGYERGY

Nieuws P.V. pagina 133

meest recente bericht boven

Specials:
Eerste cijfers zonnestroom capaciteit CBS voor 2015
Problemen met financiering van PV-projecten SDE 2014
Stand van zaken SDE 2016 ronde I en perspectief zonnestroom
CertiQ april 2016: 10,6 MWp nieuw gecertificeerd PV vermogen
Mogelijke verklaringen voor statistische aberraties PV statistieken Nederland
Status gemeentes in het Klimaatmonitor "totaal register (KMt) 18 april 2016
Klimaatmonitor "totaal register" al ruim 1,5 GWp eind 2015
Meest actuele cijfers over implementatie PV binnen SDE regelingen in Nederland

16 april 2016 - 6 juni 2016

Voor belangrijke "highlights" voor ons PV-systeem, zie pagina nieuws_PVJSS22.htm

actueel 138 137 136 135 134 133 132 131 130-121 120-111 110-101
100-91
90-81 80-71 70-61 60-51 50-41>>> highlights


 
^
TOP

25 mei 2016: Aanpassing Klimaatmonitor data - meer "uitlijning" met eerste CBS cijfers zonnestroom. In de eerste opzet, en de latere synthese van de grote drie PV dossiers na een belangrijke update van het Klimaatmonitor totaal dossier (KMt) bleek dat in 2014 meer vermogen te hebben dan het voor dat jaar "definitief" afgeronde CBS cijfer. Dit had als meest waarschijnlijke oorzaak een verkeerde invoer van de toen kersverse SDE dossier data, waarbij het SDE beschikkingsjaar per ongeluk als "jaar van oplevering" van de betroffen projecten bleek te zijn ingevoerd (zie artikel "waarschijnlijke oorzaak").

Ik had al aangegeven dat hier naar gekeken zou gaan worden bij Rijkswaterstaat. Ik kreeg net een dag voor de 8e The Solar Future NL conferentie (morgen in Utrecht) door, dat de gegevens, voor zover de "volgens RVO geformuleerde" datum van ingebruikname was te traceren, inmiddels zijn aangepast. Hierdoor is een fors deel van het opmerkelijke verschil tussen CBS en KMt cijfers in 2014 inmiddels verdwenen, en is zelfs het voor eind 2015 "voorlopig vastgestelde" geaccumuleerde volume in het KMt dossier verminderd. Ik vermoed dat dit komt omdat er kennelijk al in 2016 opgeleverde SDE projecten "per ongeluk" in de cijfers voor 2015 zijn terecht gekomen. Het kan ook een andere reden hebben, de statistieken over zonnestroom blijven immers continu met "de nodige" vraagtekens omkleed.

Ook heb ik gemerkt dat de update datum voor het PIR dossier (netbeheer data) in Klimaatmonitor is gewijzigd, deze staat nu voor 4 mei 2016. Echter: alle cijfers die eerder zijn gepubliceerd, zijn voor dat dossier gelijk gebleven.

De wijzigingen in de KMt cijfers heb ik uiteraard direct doorgevoerd in mijn spreadsheet, wat resulteert in deze allerlaatste versie van de bekende vergelijkings-grafiek, waarin ook de meest recente CBS data én die voor het PIR register zijn opgenomen:

In vergelijking met de data in de vorige grafiek zijn de KMt cijfers (gele curve) voor de laatste 3 jaar (aangegeven in de grafiek) als volgt gewijzigd: 2013 accumulatie 703 >> 683 MWp (-2,8%), 2014 1.112 >> 1.078 MWp (-3,1%), resp. 2015 1.525 >> 1.491 MWp (-2,2%). Zeer duidelijk is te zien dat, door de wijzigingen in het KMt dossier, deze curve veel dichter in de buurt is gekomen bij de oranje CBS curve. En dat het PIR dossier van de netbeheerders (paarse curve) nog steeds een (zeer) grote afstand tot deze 2 dossiers blijft hebben. We zitten nog wel met het "ogenschijnlijk" onverklaarbare verschil tussen KMt en CBS in 2014 ("kruisende lijnen"), met nog steeds 30 MWp meer in KMt dan bij CBS (NB: dat is het equivalent van ruim 115.000 moderne PV modules van 260 Wp, wat beslist "niet niks" is). De vraag is of dit, met alle problemen die er sowieso nog met de cijfers zijn, wellicht onder een zeer ruim op te vatten categorie "statistische ruis" zou kunnen vallen. Of dat hier wellicht nog wat "lastig te tackelen pijnpunten" liggen die opgelost dienen te worden.

Aantallen installaties
Ook bij de aantallen in het KMt (hoofd) dossier geregistreerde systemen zijn wat wijzigingen doorgevoerd. Deze zijn voor de afgelopen drie jaren als volgt: 2013 355 installaties méér dan in de vorige update (+0,4%), 2014 1.933 installaties mínder (-1,1%), resp. 2015 2.143 installaties mínder (-0,9%). Hier zijn de verschillen dus relatief bezien een stuk kleiner dan bij de wijzigingen van de capaciteiten.

Natuurlijk zijn zeker de meest recente jaarcijfers nog steeds niet "zeker", er zijn regelmatig forse aanpassingen geweest van met name de data van de laatste jaren. Vooral van het CBS verwacht ik weer een "gebruikelijke" aanpassing voor het jaar 2015, pas aan het eind van 2016. Die, als het zoals gebruikelijk weer een "forse toevoeging" zou betreffen, het huidige, nu dicht bij het laatste CBS cijfer liggende "eindcijfer" voor KMt weer zou kunnen gaan overtroeven. Maar ook de andere dossiers kunnen nog aangepast worden, als fouten worden ontdekt en gecorrigeerd, en/of ontbrekende installatie capaciteit uit eerdere jaren alsnog toegevoegd gaat worden. Alleen keihard wettelijk afgedwongen statistische rapportage verplichtingen (zonder misbruik van de data van overheidswege...) kunnen een echt "waterdicht" systeem opleveren voor betrouwbaardere cijfers. Tot die tijd zult u het hiermee moeten doen.

In ieder geval heeft u nu de meest recente "statistische stand van zaken m.b.t. de accumulatie van de PV capaciteit in Nederland". Net op tijd voor The Solar Future. Met de complimenten van Rijkswaterstaat en Polder PV.

Klimaatmonitor databank (Rijkswaterstaat)


 
^
TOP

20 mei 2016: CBS III - thermische zonne-energie update in 2 grafieken. Polder PV is, zoals u wellicht weet, vooral gefocust op het zéér brede terrein van zonnestroom, waar hij zijn handen al vol aan heeft. Zojuist heb ik u de laatste data van het CBS laten zien (deel I, deel II). Uiteraard "is er meer onder de zon", en dat is in Nederland vooral thermische zonne-energie. In de volksmond (als ze dat inderdaad zo bedoelen, worden helaas vaak fouten mee gemaakt), "zonnecollectoren". Op 20 mei werden daarvoor ook de eerst bekende meest recente gegevens toegevoegd door het CBS, de cijfers voor 2015 zijn nu ook beschikbaar. Ik heb deze in deze twee belangrijkste grafieken voor u samengevat.

In deze grafiek staan in oranje kolommen de "ingebruik genomen" oppervlaktes* aan thermische zonnecollectoren, en, onder de X-as, in blauw, de zogenaamd afgevoerde installaties. Althans, de "berekende uitgebruik genomen" oppervlaktes. CBS weet helemaal niet wanneer en waar er zonnecollectoren worden verwijderd (laat staan dat ze zouden kunnen weten hoe en of, en in welke hoedanigheid die apparaten zouden functioneren). Maar ze gebruiken daarvoor zoals ook voor zonnestroom "kengetallen". U ziet dat er een heftige dip in de bijplaatsingen heeft plaatsgevonden in de "zonne-energie crisis periode" tussen 2003 en 2008. In 2009 en 2010 (jawel: subsidie jaren...) was er opeens weer een golfje hoop (record bijplaatsing in 2010, bijna 47.000 m2 collector oppervlak). Maar die stond in de daar op volgende jaren weer flink onder druk, met volumes die steeds meer omlaag gingen (een Europese trend), met nog maar ruim 24.000 m² toegevoegd in 2015. Zeg maar, het niveau van 1996 in de vorige eeuw.

Tegelijkertijd zouden er fikse volumes alweer zijn opgedoekt / afgevoerd, nog relatief bescheiden (berekend) tm. 2004, voor de crisis jaren 2005 tm. 2008, maar ook voor 2009 zijn géén cijfers voorhanden (volumes "op nul" gesteld door CBS). En vanaf 2010 wordt in toenemende mate gerekend met grotere afschrijvingen. Tot bijna 21.000 m² in 2015, volgens het CBS.

Wat blijft er dan aan volumes over, volgens deze systematiek? En wat zou er dan aan zonnewarmte worden geproduceerd? Dat laat de tweede grafiek zien, wederom met data van het CBS:

Wat er "over blijft" aan het eind van het jaar ziet u in deze tweede grafiek in de oranje kolommen terug, waarvoor u de linker Y-as dient te raadplegen (opgevoerd in 1.000 vierkante meter collector oppervlak per jaar, dat dus vermenigvuldigen met de hoogte van de betreffende kolom). De veronderstelde (door CBS berekende) energie productie van dat opgestelde volume vindt u in blauwe kolommen, waarvoor u de rechter Y-as dient te raadplegen. U ziet dat de eindejaars-accumulatie oploopt van 73 duizend naar 647 duizend vierkante meter collector oppervlak in 25 jaar tijd (1990-2015), en de daarmee gepaard gaande (berekende) energie productie stijgt van 0,1 naar 1,14 petajoule in 2015. Maar de groei vlakt wel af, omdat er per jaar steeds minder oppervlakte bij komt, er ook forse volumes "rekenkundig worden afgeboekt", en derhalve de energie productie van de opgestelde capaciteit derhalve ook niet meer zo hard stijgt. Nogmaals, dit is een Europese trend, de "snelle groei jaren" lijken voorbij. We krijgen met de ISDE regeling** uiteraard wel weer een kleine versnelling, met als extra slagroom wat potentieel in de laatste SDE regelingen (39 van in totaal 47 aanvragen "zonthermie" in de eerste 2 fases voor SDE 2016 eerste ronde). Maar of de oude groeicijfers weer gehaald kunnen gaan worden moeten we gaan zien. Totdat de eerste cijfers voor 2016 bekend zijn, moeten we gaan afwachten wat de impact van de nieuwe incentives voor zonnewarmte zullen zijn. Maar dan heeft u nu in ieder geval een soort "nul-meting" om die verwachte versnelling aan te kunnen afmeten.


^^^
Een van de grotere thermische zonne-energie installaties die ik op de fiets tegenkwam de laatste jaren, in Alphen aan den Rijn. Vacuümbuis collectoren.

NB: de 1,14 PJ aan (door CBS berekende) energie productie van zonnewarmte eind 2015 is al een stuk minder dan de (berekende) opbrengst voor zonnestroom. PV zou volgens het CBS 1.108 GWh hebben geproduceerd met de eerste afschatting van de capaciteit voor eind 2015. Dat is een energie equivalent van bijna 4,0 PJ. Ergo: zonnestroom zou volgens deze berekeningen al een factor 3,5 maal zoveel duurzame energie (equivalenten) produceren, dan de ooit "populaire" modaliteit thermische zonne-energie.

* Oppervlakte volgens CBS systematiek: "Bij vlakke-plaat collectoren gaat het om het oppervlak van het paneel. Bij de vacuümbuis collectoren gaat het om het apertuuroppervlak (het oppervlak van de buizen en níet de ruimte tussen de buizen)".

** Status update ISDE bij RVO (tussen 4 jan. en 14 mei 2016): ruim 13,5 van de beschikbare MEUR 70 dit jaar geclaimd bij 4.657 aanvragen, waarvan thermische zonne-energie er slechts 1 is (naast warmtepompen, biomassaketels en pelletkachels). Dus nog 81% van het budget te vergeven.

Zonnewarmte; aantal installaties, collectoroppervlak en warmteproductie CBS StatLine update 20 mei 2016 (incl. segmentatie type collectors)

Voor opmerkingen segmentatie vlakkeplaat cq. vacuümbuis collectoren, zie artikel Solar Magazine (20 mei 2016)


 
^
TOP

20 mei 2016: Nagekomen berichtje CBS over "aantallen" op daken aangebrachte modules in 2015. In navolging van de hoofd analyse van de nieuwe CBS cijfers voor 2015, het volgende. Op Twitter verscheen een grafiekje van het CBS wat ik nog niet op hun eigen site heb kunnen vinden. Daarbij stond de mededeling "In 2015 zijn 1,8 miljoen #zonnepanelen met totaal 440 MWp vermogen op NL'se #daken gelegd". Hoe zou CBS aan dat aantal komen, gezien het feit dat het instituut in haar zonnestroom rapportage historie nooit iets met "aantallen panelen" (of zelfs "aantal systemen", zie de meest recente PIR / Klimaatmonitor KMt grafiek alhier) heeft gedaan?

Als we van de originele, van de accumulaties in de StatLine tabel af te leiden 437 MWp jaargroei voor 2015 uitgaan, lijkt het CBS daarbij dus slechts met een gemiddeld vermogen van 243 Wp per PV-module te rekenen voor dat jaar. Dat lijkt op het eerste gezicht byzonder laag voor de nieuwbouw in dat jaar. Als we van het grafiekje op p. 18 van het Solar Trend Rapport 2016 uitgaan (bron: Stichting Monitoring Zonnestroom), en we gaan er van uit dat genoemde percentages de aangeboden capaciteit (niet "aantallen panelen") voorstellen, zou van het totaal aan op de markt aangeboden modules in Nederland 4% CIS/CIGS dunnelaag resp. 1% "anders" zijn geweest. Naast de over dominante, met kristallijne modules overspoelde markt (volgens grafiek 44% multi-, resp. 51% mono-kristallijn in aanbod). Als we gemakshalve 95% van totaal aanbod als "klassiek kristallijn" aanhouden, en dat gelijkstellen aan "daadwerkelijk aan klanten verkocht" aandeel, zou dat op het eerste CBS cijfer voor 2015 een omvang van zo'n 415 MWp moeten zijn geweest. We hebben tegenwoordig echter absoluut geen "240-245 Wp" modules als "standaard". Massaal worden al kristallijne modules van 260 Wp ingezet, deels wellicht in 2015 nog 250-255 Wp, maar daar tegenover staat dat er ook al veel kristallijne panelen verkocht werden, en worden, met vermogens van 270 tot over de 300 Wp per stuk. Sterker nog, ik ken enkele leveranciers die standaard dergelijke hoog-vermogen hebbende zonnepanelen afzetten, zelfs in grote PV installaties op boerderijen e.d.

Als we van het in 2015 al minimaal massaal verkrijgbare 255 Wp type uitgaan, kom je met genoemd volume van zo'n 415 MWp kristallijn uit op een aantal van ruim 1,6 miljoen nieuw op de daken (en, zeer bescheiden, "in het vrije veld") aangelegde kristallijne zonnepanelen in 2015.

Als we voor het resterende markt aandeel (daadwerkelijk gekocht, dus) uitgaan van de in Nederland populaire Solar Frontier modellen, die tegenwoordig al 170 Wp per CIS paneel hebben, maar in 2015 lagere vermogens gehad zullen hebben in de verkoop (tussen 150 en 160 Wp), en we nemen hier wederom het laagste niveau ("150 Wp/paneel") om een mogelijk klein deel amorf-Si (nog lager vermogen hebbend per paneel) te kunnen afdekken, kom ik voor het veronderstelde dunnelaag segment (zo'n 5% van totale volume CBS, dus 22 MWp), grofweg op bijna 147.000 panelen extra. Die maken het verschil dus niet echt, maar we kunnen wel stellen, dat met deze aannames, er in 2015 in totaal al zo'n 1,78 miljoen zonnepanelen zouden kunnen zijn verkocht (volgens de eerste CBS afschatting van verkochte capaciteit). Dat lijkt, afgerond, te resulteren in het door CBS genoemde cijfer in die tweet van vandaag: 1,8 miljoen zonnepanelen.

Tweet van CBS, ochtend van 20 mei 2016


 
^
TOP

20 mei 2016 13h55: Eerste cijfers zonnestroom capaciteit CBS voor 2015 - enigma's blijven. Lang verwacht, en gelukkig op tijd voor The Solar Future conferentie (26 mei a.s.) gekomen. CBS heeft haar allereerste afschatting voor de capaciteits-uitbouw van zonnestroom vermogen voor het kalenderjaar 2015 gepubliceerd. De accumulatie zou iets onder de 1,5 GWp zijn gebleven, de jaargroei zou momenteel uitkomen op 437 MWp. Later dit jaar kan beslist nog een aanpassing van deze eerste cijfers gaan komen. Polder PV zet de nieuwste data weer grafisch naast die voor de twee andere grote dossiers (netbeheer resp. Klimaatmonitor). En probeert verschillen te duiden. Zie s.v.p. ook "side-note" van CBS over aantallen modules in het volgende artikel.

CBS heeft haar productie en vermogen tabel voor energie modaliteiten "gebruikmakend van als hernieuwbaar veronderstelde bronnen" vandaag van een update voorzien. Voor zonnestroom ontbraken die gegevens tot vandaag, nu verscheen voor eind 2015 een eerste accumulatie cijfer van 1.485 MWp. Dat is, net als vorig jaar, iets minder dan de voorgaande prognoses. Mijn "exemplaar" kwam rond de anderhalve GWp uit, in het net verschenen Solar Trend Rapport 2016. Met de voorgaande, reeds door Polder PV gepubliceerde updates voor zowel die van het PIR (netbeheerders - productie installatie register, updates 11 januari 2016 en 13 april 2016), als het verzameldossier bij Klimaatmonitor van Rijkswaterstaat (KMt, inclusief geïntegreerd PIR), komt het bekende vergelijkings-diagram voor de accumulaties er als volgt uit te zien:

Zoals ook al de vorige keer gesignaleerd is er een opvallende "anomalie" in deze regelmatig op Polder PV verschijnende vermogens-accumulatie grafiek geslopen. Sinds 2014 zijn de cijfers in de meest actuele versie van Klimaatmonitor van Rijkswaterstaat (gele curve) iets hoger dan die in de meest recente data van het CBS. Voor eind 2014 (1.112 MWp KMt vs. 1.048 MWp CBS, ruim 6% meer) is dat mogelijk te wijten aan een ingave fout van het ververste SDE subdossier bij Klimaatmonitor (zie mogelijke verklaring). Daar wordt nu aan gewerkt, hopelijk wordt dat na correcties alsnog "recht getrokken". Maar dan blijven we met het eerste cijfer van het CBS voor eind 2015 nog steeds zitten met het meest recent gepubliceerde KMt cijfer, 1.525 MWp, wat ook weer, beslist curieus, beduidend hoger ligt dan dat waar CBS vandaag mee is gekomen, 1.485 MWp (in relatieve zin echter wel lager dan in 2014, bijna 3% meer in KMt dan bij CBS). Logischerwijs "zou dat niet mogen kunnen". CBS registreert uiteindelijk afgezette volumes aan eindverbruikers per jaar door alle relevante PV (systeem) verkopers na te bellen op basis van mijn leverancierslijst die 2x per jaar wordt ververst. In alle jaren tot en met 2013 lag het CBS cijfer altijd "het hoogst" in deze grafiek, wat ook logisch was. Klimaatmonitor maakt een synthese van "dossiers" van wat derde partijen "aan installaties hebben geregistreerd". Waarvan het PIR het grootste is, vergezeld van nog eens 8 andere dossiers. Maar niet alle PV installaties in Nederland zitten in "dossiers" (en zouden dus nooit bij Klimaatmonitor bekend kunnen worden), en ik heb diverse malen grove fouten ontdekt in de databases, met name in het PIR. Dat kan zowel gaan om onmogelijke entries zoals "100 MWp verdeeld over 12 installaties" in een kleine buurt van een stadje in Overijssel, maar ook heb ik al lang vastgesteld dat heel veel commerciële capaciteit ("de grotere PV systemen") ontbreekt in het PIR. Dat betekent dat er zowel "onderwaarderingen", als "overwaarderingen" in de subdossiers (kunnen) zitten, wat enorme onzekerheid geeft over de "werkelijke" cijfers. Vandaar ook dat met elke update (van PIR, KMt, of CBS), er weer verrassingen uit de hoed worden getoverd.

CBS wijziging nog te verwachten
Wat het net gepubliceerde eerste CBS cijfer voor 2015 betreft: ook dat is niet in beton gegoten. De afgelopen jaren is die eerste afschatting namelijk elke keer weer, op basis van de door Polder PV aan CBS verstrekte leverancierslijst updates, omhoog bijgesteld. In het december 2015 rapport over het jaar 2014 was die opwaartse bijstelling maar liefst 34 MWp (zie in dat artikel ook de bijstellingen in eerdere jaren). Aanvankelijk was het geschatte jaargroei volume voor dat jaar 275 MWp, de 34 MWp toevoeging zou neerkomen op een bonus van dik 12%. Als we er van uitgaan dat er eind dit jaar door CBS weer een opwaartse bijstelling voor 2015 wordt gepubliceerd, is het in theorie mogelijk, dat het huidige KMt cijfer (1.525 MWp eind 2015) wordt geëvenaard of in het ultieme geval zelfs (weer) overschreden. Gaan we voorlopig alleen van de nu door CBS geschatte 437 MWp jaargroei uit, en we tellen daar, conservatief (?), 12% bovenop, zou je volstrekt theoretisch tegen de 490 MWp jaargroei voor 2015 kunnen komen, al is dat natuurlijk pure speculatie. Het ligt dan wel in de buurt van in het Solar Trend Rapport gesuggereerde cijfer (500 MWp, zie Solar Magazine highlights). Daarnaast is het zo, dat het best ook nog kan gebeuren dat door correcties en gewijzigde inzichten het KMt cijfer kan veranderen voor dat jaar, zoals we wel vaker in "historische cijfer updates" in dat belangrijke dossier hebben gezien. Het eindresultaat, de verhouding KMt t.o.v. CBS, is nu dus nog absoluut niet goed te duiden. Die verhouding kan nog gaan wijzigen.

We blijven nu dus nog even met genoemde anomalie "KMt groter dan CBS in 2014-2015" zitten. Het geeft eens te meer aan hoe problematisch de Nederlandse zonnestroom statistieken blijven, iets wat gezien de enorme markt volumes eigenlijk tot het verleden zou moeten gaan behoren.

PIR ver achter
Een tweede aspect wat absoluut benadrukt moet blijven worden is, dat de achterstand van het PIR register van de netbeheerders op zowel CBS als KMt pijnlijk groot is geworden. Het verschil eind 2015 is, met de huidige updates, opgelopen tot 169 MWp t.o.v. CBS (11,4% minder, dat was in 2014 nog 145 MWp, 13,8%). Het verschil t.o.v. KMt is eind 2015 opgelopen tot een verpletterend volume van 209 MWp (13,7%), dat was in 2014 nog 18,8% met hetzelfde volume. Dat laatste gaat waarschijnlijk nog fors veranderen. De verwachting is, dat het KMt cijfer voor in ieder geval 2014, en waarschijnlijk ook voor eerdere jaren, nog aangepast zal moeten worden vanwege de probemen met de ingaves van de SDE gesubsidieerde installaties. Daar wordt op dit moment naar gekeken, en gepoogd wordt om die anomalie te repareren.

Jaargroei cijfers
Uit de huidige accumulatie cijfers kunnen we ook de jaargroei afleiden. Daarbij natuurlijk zeer scherp op het netvlies houden, dat door verschillende problemen met de accumulatie cijfers, de onderlinge verhoudingen bij de (afgeleide) jaargroei cijfers fors door de war gegooid kunnen worden. Dit is zeer goed te zien in de afgeleide grafiek die ik heb gemaakt voor de groei van het vermogen per jaar in bovengenoemde drie dossiers:

Vooral in deze jaargroei cijfers grafiek is goed te zien dat er nogal bizarre verschillen tussen de drie dossiers optreden. CBS (oranje kolommen) neem ik nog steeds als "leidend" dossier, zeg maar de backbone van de Nederlandse (zonnestroom) statistieken. Omdat die cijfers ook uiteindelijk in alle internationale statistieken zullen terugkomen. Na enkele jaren van hoge groei (2011 59 MWp, 2012 220 MWp en 2013 met 377 MWp), volgde een behoorlijke tegenslag in 2014 (302 MWp, bijna 20% minder jaargroei). Dit was het gevolg van de "oververhitte" jaren 2012-2013 toen een uitermate lucratieve weggeef subsidie voor particulieren werd uitgedeeld (max. EUR 650 per adres), wat met name in 2013 tot een record jaargroei leidde (details besproken hier). Ook al werd in dat jaar het Fuchs Arrest uitgeroepen, en konden particulieren opeens btw over de aanschaf terug gaan vorderen van de Belastingdienst, het wegvallen van genoemde "slagroom subsidie" kon daardoor beslist niet in hoge mate worden afgevangen. Echter, ondertussen werd naast de blijvend gezonde residentiële markt (op wat lager niveau dan in 2013) enorm veel extra activiteit helder, met name de SDE regelingen gingen toen veel capaciteit extra toevoegen bij de implementatie van met name de enorme hoeveelheid beschikkingen van SDE 2014. Het is dan ook niet verbazingwekkend dat 2015, zoals al meermalen door mij voorspeld, 2013 met vlag en wimpel heeft ingehaald. Voorlopig komt CBS op een jaargroei van 437 MWp in 2015, 16% meer dan in het vorige recordjaar 2013, en zelfs 45% meer dan in het tegenvallende jaar 2014. Met een eventuele bijstelling eind 2016, kan de jaargroei voor 2015 beslist nog hoger gaan uitpakken (ik heb de kolommen voor 2015 doorzichtig gemaakt, omdat ik verwacht dat er nog wel wat aan die cijfers zal gaan wijzigen).

Klimaatmonitor KMt dossier
Groot is de discrepantie met de gele kolommen van Klimaatmonitor "totaal" dossier (KMt). In 2012 ligt dat dossier fors achter op dat voor CBS (32 MWp minder, bijna 15%), in 2013 is het verschil vrijwel gelijk getrokken, maar in 2014 is er opeens enorm veel méér volume in KMt terug te vinden dan in het jaargroei cijfer voor CBS: 409 t.o.v. 302 MWp ! Dat is een spectaculair verschil van 35%, waarvan we hopen dat dit door correcties op ingaves van met name de SDE capaciteit in KMt grotendeels geëlimineerd zal gaan worden. Ik ben benieuwd wat er uit die correctie operatie tevoorschijn gaat komen, het verschil tussen deze twee belangrijke dossiers is enorm groot in dat jaar, en "dient te verdwijnen". Het is een onacceptabele, grote aberratie in de toch al shaky statistieken van ons land. In 2015 zijn de verschillen tussen CBS en KMt gelukkig veel kleiner geworden, met daarbij extra opvallend het feit, dat de jaargroei in dat jaar bij KMt juist weer kleiner is geworden dan het CBS cijfer: bijna 5,5% minder jaargroei in KMt (413 MWp) dan in CBS (437 MWp). Ook hier zal spannend worden wat er voor eventuele wijzigingen gaan optreden na een "correctie operatie" in het KMt dossier.

In theorie, gezien de aard van de waarschijnlijke "fout" bij KMt, zal capaciteit toegewezen aan 2014 naar 2015 jaren verschoven moeten worden. Het gaat echter om een forse hoeveelheid volume wat als "teveel" staat voor de jaargroei in KMt in 2014. Wat gebeurt er, als het grootste deel daarvan aan 2015 toegewezen zal gaan worden? Dan zal de kolom voor KMt in 2015 weer véél hoger gaan worden dan het voorlopige niveau voor CBS, en zouden we "moeten" verwachten, dat ons nationale statistiek bureau eind van 2016 weer met een "forse correctie" moet gaan komen om dat verschil weer enigszins glad te gaan strijken ...

PIR register
Zoals bekend zijn er talloze problemen met het register van de netbeheerders (paars in grafiek), ik heb er als geen ander in ons land harde bewijzen voor geleverd in diverse artikelen. Het loopt "structureel" (op 1 jaar na) achter op beide andere dossiers. Belangrijkste redenen: niet alle particulieren melden hun (nieuwe) installaties aan, maar, een vrijwel onderbelichte kwestie in ons land, juist ook heel veel commerciële capaciteit mist in dat dossier. En daar gaat het om grote volumes. Veel grote installaties niet in PIR, betekent dat het dramatisch gaat achterlopen op de twee overige dossiers hier getoond. U heeft kunnen zien dat er al dik 200 MWp ontbreekt t.o.v. het KMt dossier van Rijkswaterstaat (eind 2015). Dat is onacceptabel!

Als we, vanwege de problemen die er nog met historische cijfers zijn bij KMt, het PIR gaan afzetten tegen de waarschijnlijk betrouwbaardere CBS cijfers, komen we achtereenvolgens op deze verschillen:

PIR t.o.v. CBS jaargroei

  • 2011 (eerste SDE "+" jaar, PIR 37 MWp, CBS 59 MWp) minus 37%
  • 2012 (PIR 171 MWp,CBS 220 MWp) minus 22%
  • 2013 (PIR 338 MWp, CBS 377 MWp) minus 10%
  • 2014 (PIR 317 MWp, CBS 302 MWp, dus minder dan PIR!) plus 5% (!)
  • 2015 (PIR 413 MWp, CBS 437 MWp) minus 5%.

Ook hier zien we dat het verschil met CBS gemiddeld genomen afneemt in relatieve zin, maar dat een anomalie als 2014 weer voor een onregelmatigheid zorgdraagt. En dat, met het vooruitzicht dat CBS "waarschijnlijk nog gaat opplussen voor het jaar 2015", het PIR nog steeds een behoorlijke hoeveelheid capaciteit zal blijven missen t.o.v. de "waarschijnlijk dichter bij de waarheid liggende CBS cijfers".

Productie - eerste TWh/jaar is binnen
CBS heeft, met het nieuwste capaciteit cijfer, ook de "vermeende" productie van zonnestroom gepubliceerd. Die wordt met een aangepaste methodiek berekend (nogmaals: beslist niet "gemeten", wat eigenlijk wel "zou moeten"). Op basis van de (berekende) capaciteit halverwege het jaar vermenigvuldigd met een "consensus cijfer" voor de "gemiddelde specifieke opbrengst per jaar van 875 kWh/kWp". Daarmee komt CBS voor 2015 voorlopig op een productie van 1.108 miljoen kWh = 1,1 TWh. We zouden voor het eerst in de Nederlandse geschiedenis in een jaar tijd "dus" meer dan een TWh zonnestroom hebben geproduceerd, althans volgens die rekenmethodiek. Dat is ruim een kwart van de jaarproductie van kernsplijter Borssele, waarvan de eigenaar Delta (in zware financiële problemen), en onze regering geen raad weten wat er mee moet gaan gebeuren.

De in bovenstaande grafiek getoonde 1.108 GWh "vermeende" zonnestroom productie in 2015 zou 41% hoger liggen dan de 785 GWh die (verondersteld) in 2014 zou zijn geproduceerd, volgens de (aangepaste) CBS rekenmethodiek.

CBS heeft ook berekend wat die 1,1 TWh "vermeende zonnestroom productie" voor aandeel heeft in de stroommix. Dat zou eind 2015 zijn neergekomen op 0,94% van het totale stroomverbruik (volgens Europese rekenmethodiek). Voor de kolom aandeel in "netto elektriciteitsproductie" (productie exclusief het eigen verbruik, landelijk aandeel), komt CBS zelfs op 0,97% van het landelijk totaal uit. Bij zonnestroom wordt kennelijk verondersteld dat er geen stroom "verloren gaat" bij de productie. Dat is natuurlijk niet helemaal waar (denk aan systeemverliezen), maar die worden kennelijk t.o.v. de nationale productie mix (veel inzet met kolen en gas) als verwaarloosbaar gezien. Omdat fossiel gestookte centrales veel van hun brandstof kwijt raken aan de bedrijfsprocessen (die dus geen stroom op het net opleveren), resulteert uiteindelijk voor het zonnestroom aandeel op de netto (totale landelijke) stroom productie het iets hogere percentage in die CBS kolom.

Conclusies
Al met al is de conclusie: We hebben een nieuw record jaar in toevoeging van zonnestroom capaciteit te pakken in Nederland. Significant veel meer dan het vorige record jaar 2013. Hoeveel meer precies blijft afwachten, omdat CBS later in 2016 waarschijnlijk nog met een bijstelling gaat komen. Voorlopig is door CBS becijferd dat in 2015 bijna 1% van de totale elektriciteits-productie uit zonnestroom bestond. De nationale zonnestroom statistieken blijven echter doortrokken van inconsistenties, onmogelijke cijfers, en zorgwekkende tegenstellingen. Dat moet gaan veranderen. We zijn het aan onszelf verplicht.

Hernieuwbare elektriciteit; productie en vermogen (sectie: zonnestroom) CBS StatLine update 20 mei 2016


 
^
TOP

13 mei 2016: Problemen met financiering van PV-projecten SDE 2014. Al kort aangestipt in het vorige artikel over de eerste cijfers voor SDE 2016, betreffende de toch wat tegenvallende potentie voor de PV projecten markt binnen de eerste ronde, nu weer even terug naar de implementatie van de - aanvankelijk - 883 MWp grote SDE 2014 portfolio. Hierover beginnen helaas onrustbarende berichten naar buiten te sijpelen, waardoor de oorspronkelijke hoge verwachtingen van een snel groeiende projecten markt helaas onder (zware) druk komen te staan. En in het slechtste geval een zoveelste nationaal subsidie drama rond duurzame energie zich gaat aftekenen.

Er schijnen "problemen" te zijn met het (op tijd) vinden van financiering voor, volgens RVO, "een groot" deel van de oorspronkelijk 2.973 beschikte SDE 2014 projecten (goed voor 883 MWp). Om dit in perspectief te plaatsen geef ik u de volgende data en bevindingen.

(1) Portfolio al iets kleiner
Die oorspronkelijke hoeveelheid is op het punt van het aantal projecten alweer iets afgenomen. In de laatste SDE update die ik uit de databank van Klimaatmonitor kon extraheren (update daar afkomstig van RVO, maar nog niet door henzelf gepubluceerd), was een licht verlies te zien van kennelijk al (door de ontwikkelaars?) opgegeven 25 projecten, t.o.v. de oorspronkelijke 3.715 stuks aanvragen, waarvan er 2.973 daadwerkelijk werden beschikt. Waardoor er 2.948 exemplaren zijn overgebleven. Een verlies van 0,8% van het oorspronkelijk toegekende aantal, en "goed" voor bijna 11 MWp minder beschikt vermogen, 1,2% wat de capaciteit betreft. Het gaat hier, gezien de berichtgeving, echter beslist niet bij blijven, en in het slechtste geval een drama worden, bij de "uitval" van beschikte projecten.

(2) Gerealiseerd SDE 2014 volume zonnestroom volgens projectenlijst Polder PV
Uit de laatste analyses van mijn grote PV projecten overzicht (12 april jl.) bleek dat ik toen "al" minimaal 438 fysiek gerealiseerde single-site SDE 2014 PV-installaties kon traceren met een gezamenlijk vermogen van ongeveer 95 MWp (systeemgemiddelde bij de realisaties ongeveer 217 kWp per stuk).

Ik heb ook nog eens minimaal 11 multi-sites met in totaal 36 deel projecten (verschillende adressen) extra staan als gerealiseerd, met (op elk apart adres) een SDE 2014 beschikking. Het totale vermogen van deze extra projecten is ruim 8,5 MWp. Met boven genoemde single-sites hebben we het dan over fysiek gerealiseerd minimaal 474 adressen met PV realisaties uit SDE 2014, met een gezamenlijk vermogen van ongeveer 104 MWp. Dat laatste zou een volume zijn van bijna 12% van de oorspronkelijk toegekende 883 MWp voor die regeling. Ik zal beslist nog niet alles op het vizier hebben, maar dat volume is voor PV al een record voor alle SDE regelingen.

Bovenstaande cijfers betekenen dat er t.o.v. mijn projecten update maximaal 2.948 - 474 = 2.474 SDE 2014 PV projecten nog moesten worden opgeleverd, de administratieve verwerking van eventueel al opgeleverde projecten nog geen "hit" heeft gegenereerd, en/of er überhaupt nergens iets over een eventueel opgeleverd project was of is te vinden op het internet. Dat zou maximaal dus om zo'n 2.474/2.973 = 83% van het oorspronkelijk beschikte aantal PV aanvragen moeten gaan, waarschijnlijk in realiteit beslist "een stuk lager". Voor de capaciteit zou er nog maximaal 779 MWp te realiseren overblijven, een zeer grote hoeveelheid van 89% van de 872 MWp (overgebleven beschikt volume), "nog niet gerealiseerd". Holland Solar claimde in een aangepaste versie het volgende:

"De Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO.nl) laat weten dat een groot deel van de projecten nog niet in staat is om de financiering rond te krijgen en hierdoor dreigt de komende maanden intrekking van de SDE+-subsidie. Het zijn met name de kleinere projecten tot 500 kWp die dit probleem kennen, omdat volgens de betrokkenen voor banken het financieren van grotere projecten rendabeler en dus interessanter is. Circa 80 procent van de bijna 3.000 in 2014 toegekende pv-projecten kent een omvang tot 500 kilowattpiek."

Als we voor het gemak van grofweg zo'n EUR 1,25/Wp (gemiddeld) zouden uitgaan, zou het met die getallen van Holland Solar bij dat (puur speculatief) mogelijk nog grotendeels te financieren volume gaan om iets in de ordegrootte van zo'n 2.400 PV projecten, resp. 750 MWp. Die cijfers liggen redelijk dicht in de buurt van mijn calculaties op basis van mijn eigen projecten spreadsheet.

Het "overgebleven", nog in te vullen (of nog, indien toch al gerealiseerd, "te vinden") volume resulteert in een gemiddeld systeemvermogen van zo'n 315 kWp per project. Bijna 6,5% boven het gemiddelde voor het overgebleven volume in de recente SDE update bij Klimaatmonitor (plm. 296 kWp). Er moeten daarom óók nog behoorlijk wat "grote projecten" (tot ver over de 10 MWp per stuk, bekend zijn vooral de installaties op te leveren bij Tata Steel, 22 MWp (2017?), en Delfzijl / Eemshaven, 30 MWp, eind 2016?) worden opgeleverd, anders was dat overgebleven systeem gemiddelde niet groter geworden.

(3) Alarmvlag branche-organisatie
Afgezien van de nog te realiseren grote volumes, waar nog wel de nodige tijd voor is, heeft Holland Solar inmiddels terecht de alarmvlag gezwaaid, omdat volgens de voorwaarden van de SDE (2014) regeling vóór aankomende zomer ook alle begin 2015 beschikte SDE 2014 projecten een "opdracht aan de uitvoerder" dienen te tonen aan RVO (voor de eerder beschikte SDE 2014 projecten was dat uiteraard eerder al het geval). Anders dreigt de beschikking voor de betreffende projecten te worden ingetrokken. Vooral de "kleinere" projecten onder een halve MWp zouden met die problemen te kampen hebben, omdat de "grotere" installaties interessant zijn voor banken e.d. om te (co-)financieren. De initiatiefnemers van die zeer grote installaties zullen hun papieren inmiddels op orde hebben gebracht, omdat ze weten dat dit soort zaken correct en op tijd geregeld dienen te worden, en er zeker bij dat soort projecten veel op het spel staat. Dat "besef" zal beslist niet altijd aanwezig zijn bij veel nieuwkomers die voor het eerste een SDE aanvraag voor een "middelgroot" project hebben gedaan en ook beschikt hebben gekregen. Als veel van die projecten niet op tijd hun financiering op orde hebben, en dus ook geen leveringsovereenkomst met een installateur of andere uitvoerende partij kunnen laten zien aan RVO, dreigt een enorm drama, gezien de nog uitstaande, grote hoeveelheiden SDE 2014 subsidiegeld claimende volumes.

(4) Grootte categorieën binnen de SDE 2014 regeling voor beschikte PV projecten
De heer Chang van Movares presenteerde bij het sluiten van de SDE 2014 regeling een byzonder interessant staatje met data van RVO, waarin de verdelingen van het oorspronkelijk beschikte vermogen over categorieën, wat ik voor de vorige The Solar Future conferentie mocht gebruiken. Zie mijn artikel van 28 mei 2015.

We zien aan dit staatje (wat trouwens 1 MWp minder beschikt totaal vermogen heeft dan RVO oorspronkelijk had opgegeven) dat tot 500 kWp er maar liefst 2.009 projecten zouden zijn toegekend van elk max 250 kWp, en nog eens 749 van elk max. 500 kWp, totaal 2.758 stuks. Als we de door Holland Solar gesuggereerde, "nog te financieren" 2.400 projecten in aanmerking nemen, zal een substantieel deel in deze 2 categorieën zijn gevallen. Maar het is natuurlijk niet zo dat álle 2.758 projecten kleiner of gelijk aan 500 kWp nog niet zouden zijn opgeleverd. En ook niet, dat alle projecten groter dan 500 kWp wél zouden zijn gerealiseerd. We moeten ook in het laatste geval zelfs concluderen: "verre van" (zie ook het volgende punt). Mijn projecten spreadsheet, met in totaal minimaal 438 gerealiseerde single-site projecten met SDE 2014 beschikking, is daar het bewijs van. Van die 438 stuks zijn er namelijk maar bijna 30 groter dan 500 kWp, 8 daarvan zijn groter dan 1 MWp, en Zonnepark Ameland is zoals inmiddels ruimschoots bekend, de (enige) bekende grootste, met 6 MWp in de categorie "groter dan 5, maar max. 10 MWp" vallend (op-een-na-laatste kolom).

(5) Tweede probleem: implementatie grootste SDE PV projecten verloopt traag
Het staatje hierboven geeft duidelijk weer dat er oorspronkelijk maar liefst 215 projecten groter dan 500 kWp zijn beschikt. En daar heb ik dus nog maar een fractie van zien materialiseren. Hier zit dus ook weer een extra groot probleem, want het gaat bij deze hogere project categorieën om grote volumes. Grofweg zo'n 380 MWp aan vermogen zit er in die vijf hoogste project categorieën. Dat is zo'n 43% van het totaal beschikte volume! Die leggen een bovenmatig zware claim op de totale budget toewijzing voor PV binnen SDE 2014.

Over dit tweede grote probleem bij de implementatie van (grote) SDE 2014 PV projecten, werd extra olie op het vuur gegooid in het item over zonneparken op BNR Radio van 11 mei, waarin o.a. fragmenten van een telefonisch interview met Polder PV. In de inleiding van het interview en het begeleidende bericht gaf BNR aan dat ze van RVO cijfers hadden gekregen, dat er sinds de eerste SDE "+" regeling, SDE 2011, er "slechts 20 parken met minstens 3.000 zonnepanelen" zouden zijn gerealiseerd, terwijl er voor 189 subsidie zou zijn toegekend. Hierbij wordt, gezien het interview met ondergetekende, kennelijk gedoeld op grote zonnestroom projecten per stuk groter dan 750 kWp (de "3.000 panelen" werd, na overleg, grofweg als maatstaf gehanteerd om een wat vertrouwder beeld richting het algemene publiek te hebben, daarbij conservatief uitgaand van "3.000 x 250 Wp"). Waarbij met "zonneparken" kennelijk ook grote PV projecten op industriële daken wordt bedoeld. Over de naamgeving was er in het begin verwarring tijdens het interview (aanvankelijk werd gesuggereerd dat het om 20 grondgebonden installaties zou gaan, waar ik grote twijfels over uitte). Na een extra check rondje bij RVO is daar meer duidelijkheid over gekomen: het betrof zowel rooftop, als (slechts enkele) grond-gebonden installaties.

Overigens zijn de cijfers die ik zelf heb beslist wat hoger, er is al wat meer gerealiseerd dan in de BNR uitzending geclaimd, maar het houdt inderdaad niet over. In mijn projecten spreadsheet voor alle SDE projecten groter dan 750 kWp sinds de SDE 2011 regeling heb ik momenteel realisaties van 25 single-site projecten staan (waarvan 12 met SDE 2014 en 9 met SDE 2013 het grootste deel uitmaken). Ik heb zelfs in totaal 33 single-site PV-project realisaties >750 kWp, 8 ervan hebben géén (traceerbare) SDE beschikking.

Kijken we naar het staatje hierboven, zien we dat er alleen al 128 projecten met SDE 2014 beschikking groter dan 1 MWp zijn, en er beslist ook nog wat "groter dan 750 kWp" in de diagram categorie "groter dan 0,5 tot max. 1 MWp" gezeten zal hebben. Daarvan heb ik er waarschijnlijk al zes die reeds zijn gerealiseerd in die categorie, er zullen er meer zijn beschikt. Dan heb je het al over minimaal 134 projecten in uitsluitend SDE 2014, zodat er slechts een dikke vijftigtal voor alle eerdere regelingen (vanaf SDE 2011) overblijft. Voor de ook belangrijke SDE 2013 heb ik al 8 realisaties >750 kWp geturfd, 1 SDE 2012, en nog eens 2 voor SDE 2011. Dan blijven er nog 44 beschikkingen over om te traceren, die elk groter dan 750 kWp zouden zijn.

Bij BNR kwam ook sector manager duurzame energie van de Rabobank, Hans van den Boom, aan bod, die zijn teleurstelling niet kon verbergen over de voortgang van de fysieke uitrol van juist dit voor banken interessante "top segment". Het gaat allemaal veel te traag, en de oorspronkelijke euforie over de rap op elkaar volgende grootse plannen voor het ene na het andere zonnepark, "zonneweide", en "zonneakker" project, werd al snel door de trage ontwikkeling de kop in gedrukt. Dure aansluitkosten en andere onverwachte, oorspronkelijk bij de aanvragen niet "mee geplande" kostenposten, zouden een belangrijke vertragende (in ultimo zelfs project plannen compleet stil leggende) rol spelen.

(6) Meer problemen
Er zijn ook andersoortige problemen bij de ontwikkeling van SDE (2014) projecten. Zo tweette een medewerker van Ekwadraat (een bekend adviesbureau in energie zaken) dat er kennelijk nogal vaak project eigenaren waren die het dak van een derde partij wilden huren om zonnepanelen op te zetten, en daarvoor een SDE (2014) beschikking hadden "gescoord". Er gebeurt echter in veel gevallen niets met de beschikking, en de dakeigenaar, die kennelijk wel zonnepanelen op het dak wil laten plaatsen, krijgt het lid op de neus omdat de project "eigenaar" de SDE beschikking niet wil overdragen... Het kan daarbij om omvangrijke projecten gaan, allemaal waarschijnlijk verloren gegaan voor de SDE subsidie ...

(7) Paniek in de tent?
Gezien bovenstaande, lijkt het inmiddels dus aardig te gaan knijpen bij de potentiële invulling van een enorme hoeveelheid projecten, daarmee gepaard gaande geplande capaciteit, uiteraard daarmee "te verwachten zonnestroom productie", en dus ook de invulling van een enorme hoeveelheid SDE budget. Zonnestroom was als energie opwek categorie de grootste subsidie claimer binnen SDE 2014, dik 1,3 miljard Euro van de toen beschikbare 3,5 miljard ging daar naar toe. Het gaat een absoluut drama worden, als een zeer substantieel deel van die uitzonderlijke regeling, alsnog niet ingevuld gaat worden. Als dat wel gaat geschieden, kunnen we weer "wilde taferelen" op het Binnenhof gaan verwachten...

Holland Solar probeert te "bemiddelen"
De brancheorganisatie begint zich ernstig zorgen te maken. Om de financiering voor veel (?) SDE 2014 projecten nog te kunnen vlot trekken, hebben ze op hun website een pagina geopend met links naar "financiers". Kennelijk horen daar niet de in de grotere projecten geïnteresseerde banken bij, maar "andere partijen", zoals aangegeven op de website. Ik telde daar momenteel al 17 partijen, waaronder diverse bekende (en een paar minder bekende), die kennelijk kapitaal willen verstrekken. Daarbij wordt ook nog onderscheid gemaakt in de categorieën 15-100 resp. 100-500 kWp, waar genoemde financiers actief in (willen) zijn. De branche-organisatie lijkt hier dus als een soort broker te fungeren tussen (SDE) financierings-behoeftigen en -aanbieders. Of deze, gezien de hoge nood, en het relatief korte tijdvenster, zeer laat in de markt gegooide interventie echt zal helpen om een "zeer substantieel" deel van de kennelijk nog niet "vol" (of deels in het geheel nog niet) gefinancierde enorme SDE 2014 PV portfolio te redden van de ondergang moeten we nog gaan zien. Als het allemaal te weinig zal helpen, en de papierversnipperaar bij RVO aan gezet gaat worden, zou alleen nog maar een mogelijke - doch vrij onwaarschijnlijke? - "drastische interventie uit Den Haag" het laatste redmiddel kunnen worden voor een groot deel van de "geclaimde" PV projecten markt in Nederland. Om te voorkomen dat een enorme hoeveelheid SDE subsidie budget, waar al enorm veel energie en arbeidsinzet in is gaan zitten, komt te vervallen, en pas veel later weer helemaal opnieuw ingezet zou kunnen worden in een "volgende SDE "+" regeling. Mogelijk veel te laat om nog wezenlijk en "op tijd" te kunnen bijdragen aan het behalen van die vermaledijde 14% in 2020...

Nederlandse zonneparken komen amper van de grond (11 mei 2016, BNR Radio, incl. fragmenten interview Polder PV)

Financiersbestand van brancheorganisatie Holland Solar (dd. 13 mei 2016: 17 financiers)

Financiering zonne-energie projecten (incl. SDE 2014), Holland Solar

Artikel van Polder PV werd geciteerd door ZonnepanelenDelen, in hun blog van 10 mei 2015

PV projectenlijst Polder PV (incl. 3.348 reeds opgeleverde single-site installs >= 15 kWp, niet openbaar)


 
^
TOP

12 mei 2016: SDE 2016 - eerste info aanvragen "voorjaars-ronde". De eerste resultaten van de aanvragen voor ronde I van SDE 2016 zijn bekend. Polder PV analyseert deze, en trekt een voorlopig niet al te enthousiaste conclusie over de potentie van zonnestroom binnen die ronde. Ook al is die met ruim de dubbele hoeveelheid van het beschikbare budget alweer extreem overtekend. In zeer korte tijd.

Intro
Zoals ik al bij de aankondiging had gesteld op Twitter: met de SDE 2016 is er alweer een set schakelaars omgezet die de spelregels voor de zoveelste maal hebben gewijzigd. Ondanks continue verzekering van de autoriteiten en politici, dat er "stabiel subsidie beleid" getoond zou worden met deze regeling, waaraan zoveel waarde wordt gehecht in Den Haag. For whatever that is worth: die woorden komen uit de mond van politici, en zoals bekend mogen die dagelijks liegen dat het gedrukt staat. Het knipperlicht beleid wordt doodgewoon gecontinueerd, en geen hond die zich er (meer) druk over maakt (nou ja, een paar dan).

Een van de nieuwe pains-in-the-ass van Min. EZ was, dat er een complete informatie stop werd afgekondigd tijdens de gaande subsidie ronde, wat ik zo'n beetje als enige signaleerde op 7 december 2015 (en later herhaalde toen RVO die passage in de kamerbrief schaamteloos kopieerde zonder commentaar). Zodat vooral ondernemers die voor het eerst een voor hen nog zeer onzekere, met veel vraagtekens omgeven SDE aanvraag van plan waren te doen in compleet drijfzand vast zouden lopen, omdat ze geen enkel idee zouden hebben wat de "voortgang" was van het beschikbare budget. En ze daar dus ook niet (meer) op konden acteren. Vooral de "gevestigde", goed in de slappe was zittende partijen, die wel wat extra risico kunnen nemen, zouden maximaal voordeel kunnen hebben van het zwarte informatie gat wat aldus werd gecreeërd door het Ministerie van Economische Zaken. En bijvoorbeeld net even met een wat lagere kWh prijs kunnen inzetten (partijen konden zelfs met "tienden van Eurocenten per kWh" verschil aanvragen), om de concurrentie de loef af te steken met één gigantisch groot, of een hele zwik grotere projecten in een keer voor dat fractioneel lagere, maar fors meer "zekerheid" (voordeel) biedende aanbod. Een van de zegslieden van de kleine, onervaren, grotendeels of geheel uit vrijwilligers bestaande energiecoöps, plaatste begin december vorig jaar ook al een prikkelende tweet over de mogelijke gevolgen van die onervarendheid van veel, vooral "kleine" nieuwkomers, in combinatie met "de nieuwste spelregels". U weet allen wie de "gevestigde partijen" zijn, daar hoeven we geen woorden aan vuil te maken.

Dus in die ultra korte periode dat de "voorjaars-ronde" duurde (de zoveelste "noviteit" binnen SDE 2016), officieel van 9h00 in de ochtend van 22 maart tot 17h00 op 28 april, kregen we nul komma nul aan informatie over de regeling te zien, en moesten we maar "gissen" wat er geschiedde met de eerste van de maar liefst 4 miljard Euro subsidie geld. Waarvan de helft betaald zou moeten gaan worden door de burgers. Een bedrag in 1 ronde, wat nooit eerder zo hoog is geweest (SDE 2014 en 2015 hadden voor een hele jaarronde "maar" 3,5 md Euro tot hun beschikking). En in het najaar van 2016 volgt nog zo'n fase met hetzelfde enorme bedrag...

Pas op 9 mei jl. kwamen dan de eerste cijfers. Alleen over de aanvragen, de talloze ambtenaren bij RVO zijn zich nu aan het buigen over al die - soms zeer ingewikkelde - aanvragen, die goed waren voor een budget overschrijding van maar liefst 104%, om te kijken of alles wel "in orde" is. Er gaat alweer, de geschiedenis herhaalt zich elk jaar weer, gigantisch veel van de aanvragen al op voorhand afvallen. En gezien de enorme competitie om de miljarden Euro's, zal er beslist door veel partijen structureel, ongezond "te laag" zijn ingezet, om überhaupt, in een periode van totaal gebrek aan info over de stand van zaken, nog een serieuze kans te maken. Dus zélfs als ze het geluk hebben om een beschikking te verzilveren, mogen we ons kritisch afvragen, hoeveel van de uiteindelijk te beschikken projecten daadwerkelijk de eindstreep zullen gaan halen. Nu over naar "de feiten".

SDE 2016 ronde I - aanvragen, de feiten
Er zijn in totaal 3.354 aanvragen gedaan, verdeeld over 3 opties "elektra", 9 opties "warmte (/ WKK)", en slechts 1, door RVO kennelijk hernoemd van het vroegere "groengas" naar de categorie "Biomassa hernieuwbaar gas" (de modaliteit "gas", dus). Fase 1 (maximum fasebedrag elektra 9 ct/kWh) eindigde met een budget claim van 2.049 miljoen Euro. En al in fase 2 van deze SDE 2016 ronde (max. fasebedrag elektra 11 ct/kWh) werd het budget van 4 miljard zeer fors overtekend. Aan het eind van die fase, die nog eens een claim van 2.774 miljoen Euro toevoegde, was er in totaal al 4,82 miljard Euro geclaimd, al (ver?) voor verstrijken van fase 2, dus veel te veel. Er zal dus gegarandeerd alleen al om die reden capaciteit uit de fase 2 pool gegooid moeten worden om op het budget maximum van 4 miljard Euro te komen. En daar zit voor zonnestroom meteen al een gigantisch probleem. Want de overgrote meerderheid van de in totaal in 4 fases binnengekomen aanvragen, 3.104 stuks, werd pas in fase 3 ingediend (max. fasebedrag 13 ct/kWh, wat PV echt wel nodig heeft om "enigszins rendabel" te kunnen krijgen, zeker als er "problematische" locatie situaties zijn). Er werden in die fase maar liefst 2.115 PV projecten ingediend, 68% van het totaal voor zonnestroom.

Zelfs als we van het volgende uitgaan. (1) Dat er van de in totaal 1.057 projecten ingediend in de eerste twee fases (waarvan 300 voor zonnestroom in fase 1, en nog eens 556 in fase 2, aandeel PV in die 2 eerste fases 81% van totaal bij aantallen aanvragen), er een hoop zullen uitvallen vanwege meerdere redenen. (2) De projecten uit fase 3 alsnog aan de beurt zullen komen ter evaluatie van eventuele goedkeuring door RVO om die "verliezen" te compenseren. Dan nog kunt u me niet wijs maken dat er dan een "zeer substantieel deel" van de in fase 3 ingediende 2.115 PV projecten alsnog "in aanmerking" zou kunnen gaan komen. U kunt er vergif op innemen, dat een zeer substantieel deel van die enorme hoop van ruim 2.100 PV aanvragen alsnog geprullebakkeerd zal gaan worden, als het "verlies" van aanvragen uit de eerste twee fases beperkt zal blijven. Een groot deel van het werk wat is gaan zitten in al die (PV) aanvragen voor fase 3 (laat staan voor fase 4, max. fasebedrag elektra 15 ct/kWh, slechts 133 PV projecten op totaal van 161 aanvragen in die laatste, slappe fase) zal voor niets zijn geweest. De grote, nu nog niet te beantwoorden vraag, zal zijn, hoeveel van fase 3 nog wél in aanmerking zal gaan komen.

Wandelgangen talk
In de wandelgangen van de uitreiking van het Solar Trend Rapport in Eindhoven, op 10 mei, werd mij medegedeeld dat voor een beetje decent PV project een SDE subsidie van zo'n 12,8 cent/kWh benodigd zou zijn, en weinig minder omdat je dan in de gevarenzone van rentabiliteit in combinatie met bedrijfsrisico komt (NB: zéker met de ook nog steeds dalende wholesale prijzen op de stroommarkt in het vizier, wat zeer ongunstig is voor de stroomverkoop van grote projecten "via het net"). Als dit klopt, zitten de PV aanvragen voor fases 1 en 2, met max. kWh bedragen van 9 tot 11 cent, dus sowieso al (veel) te laag ten opzichte van die referentie. De grote vraag is of er "iets" over zal blijven van de mogelijkheid dat die projecten daadwerkelijk gerealiseerd zullen worden, zélfs in het geval dat RVO haar hand over het hart strijkt, de andere eisen voor de aanvraag correct blijken te zijn, en ondanks alles een beschikking afgeeft, met daarbij mogelijk een onderhandse boodschap: "zie maar hoe u het rendabel geëxploiteerd gaat krijgen".

Vooralsnog onbekend is, wat het "karakter" is van die eerste 856 PV aanvragen in de eerste 2 fases van SDE 2016 ronde I. Er is zeer stevige concurrentie van een trits aan biomassa opties, 17 windenergie projecten en 11 geothermie aanvragen in fase 1, en ook in fase 2 is de concurrentie met andere opties moordend (zelfs van "zon collega" zonthermie, die 36 aanvragen in fase 2 heeft lopen). Alleen als het "hele grote" PV-projecten (zoals op industriële daken) betreft, zou er een heel erg kleine kans zijn dat er iets van gerealiseerd kán worden, maar dan moet echt alles meezitten, en mag er niets misgaan (en moet er waarschijnlijk ook nog geld bij van de provincie of uit een andere hoek). Een fysieke, levensvatbare realisatie van echt véél hele grote projecten in die eerste twee fases lijkt echter onwaarschijnlijk. Als je de 556 PV projecten in fase 2 deelt op het maximaal aangevraagde vermogen (853 MW alle opties), houd je slechts 1,5 MW gemiddeld per project over. Zelfs al zouden er "een paar" grote installaties van "vele tot tientallen MWp-en" PV bij zitten, een "paar" van die grote zonnestroom projecten kunnen gewoon niet het verschil in (te realiseren) volume gaan maken, áls ze al zouden worden gehonoreerd. En er is natuurlijk ook nog in beide eerste fases rekenschap te geven van de forse capaciteiten die door de andere opties zijn aangevraagd (veelal een véél grotere omvang hebbend dan een gemiddeld PV project). Alleen al vanwege deze redenen, lijkt het niet waarschijnlijk dat er überhaupt een significant volume aan zonnestroom capaciteit uit die eerste twee fases "zou kunnen gaan komen". Zelfs als er veel "mee zit".

"Optimistisch" scenario
We kunnen het ook anders benaderen. We gaan nu voor de gedachten bepaling "optimistisch zijn", en we gaan er van uit dat het grootste deel van de in de eerste 2 fases aangevraagde zonnestroom projecten, puur theoretisch, een beschikking gaat krijgen, en dat de andere projecten voor een fors deel afgewezen zullen worden in die fases (nogmaals: er mag maximaal 4 miljard Euro worden besteed, dus er moet sowieso veel volume verdwijnen onder de door Min. EZ opgelegde directieven van RVO). Dit als puur theoretische exercitie, om een gevoel te krijgen voor wat de potentie dan zou kunnen zijn voor zonnestroom. Helaas is er geen vermogen per categorie weergegeven per fase. Wel, voor alle opties, maar dan weer niet in de data die RVO heeft gepubliceerd. Maar ... in de kamerbrief die Henk Kamp naar de Tweede Kamer heeft laten versturen (pagina 2 onderaan). Daarin staat dat zonnestroom, met haar 3.104 aanvragen, een totaal vermogen heeft geclaimd (in alle vier de fases van SDE 2016 ronde I), van 1.122 MWp. Dat op elkaar delend, kom ik op een kennelijk gemiddelde project grootte bij de aanvragen van 362 kWp. Let wel: in SDE 2014 was dat 297 kWp gemiddeld bij de toegekende projecten, met het "terug gerekende" volume van 11,1 MWp voor de zwaar tegenvallende SDE 2015 (vooral wind e.a. opties beschikt) was dat maar 231 kWp per project voor de paar toegekende zonnestroom installaties. M.a.w.: de gemiddelde project grootte die in SDE 2016 ronde I is aangevraagd is alweer fors groter (22% t.o.v. systeemgemiddelde in SDE 2014), wat gezien de plannen voor "grote" projecten die ik overal tegenkom, ook weer niet zo vreemd is.

Als we er van uitgaan, dat genoemd systeem gemiddelde ongeveer gelijk is voor alle vier de fases binnen SDE 2016 ronde I, en zouden we de totaal 856 projecten voor fases 1 en 2 daar naast zetten, zou in het "ideale" (natuurlijk niet optredende) geval, er minder dan 310 MWp aangevraagd "kunnen zijn" binnen die belangrijkste eerste twee fases. Tenzij er om wat voor reden dan ook "opvallend zeer grote" projecten in die eerste twee fases zouden zitten (en derhalve heel veel "kleine(re) in fase 3), maar dat is speculatie. 310 MWp is niet echt een spectaculair volume te noemen voor een rap groeiende projecten markt als de Nederlandse (met name via implementatie van SDE 2014) heeft gekend. Alleen als er heel erg veel capaciteit (ook van de andere opties!) zal worden afgewezen uit die eerste twee fases, kunnen we "potentieel" verwachten uit fase 3, waarin de overgrote meerderheid van het totaal aantal zonnestroom projecten is aangevraagd (2.115 stuks, met genoemd "totaal systeem gemiddelde" mogelijk een volume vertegenwoordigend van 766 MWp). Maar waarin wederom heftige competitie valt te verwachten met andere grote, bijvoorbeeld biomassa projecten, die beslist lager met de kWh prijs ingezet kunnen hebben in die fase. Waardoor alsnog zonnestroom ontwikkelaars meestal naast het ogenschijnlijk lucratief ogende subsidiepot"je" zullen gaan piesen.

Er is natuurlijk nog een tweede ronde in het najaar, maar van een recent artikel op Energeia heb ik al begrepen dat er dan waarschijnlijk een forse greep door de windturbine bouwers gedaan zal worden, en die kunnen veel lager inzetten met hun kWh prijs dan de PV project ontwikkelaars kunnen doen. Het is dus een grote vraag of er nog veel kansen zullen zijn voor "een machtsgreep van zonnestroom project bouwers" in ronde II van de huidige SDE 2016 regeling. Je mag dan al heel blij zijn dat je in de eerste rondes een vergelijkbaar hypothetische, dik 300 MWp aan PV projecten aangevraagd kunt hebben, voordat er weer sprake is van budget overschrijding. Ook in ronde II is 4 miljard Euro beschikbaar, dat kan hard gaan als er veel vroege windturbine projecten worden aangevraagd. Vroeg instappen in ronde II door PV aanvragers met een kWh prijs waarvan serieuze partijen zich afvragen of er überhaupt wel rendabel een project van is te bouwen, zonder "extra" financiële hulp uit andere kanalen? Er zijn op dit punt forse onzekerheden of dat wel als een verstandige, laat staan zinvolle route mag worden beschouwd.

Perspectief voor projectenmarkt versombert?
Als die grofweg 300 MWp PV projecten in ronde I van SDE 2016 al gehaald zal worden (lees: grotendeels toegekend, met groot vraagteken!), en áls het al zou lukken om die truuk te herhalen in najaarsronde II, zouden we maximaal, über-optimistisch gesteld, 600 MWp bij de aanvragen voor zonnestroom mogen verwachten dit jaar. Dat is fors minder dan de oorspronkelijk beschikte 883 MWp voor de SDE 2014 regeling. Het zal hoogstwaarschijnlijk zelfs nog heel wat minder gaan worden, als ronde II een vergelijkbaar resultaat voor zonnestroom gaat geven, ondanks de waarschijnlijk zeer hoge druk van wind- en andere project opties in de tweede ronde. En als we, wederom uit de wandelgangen van de sector, vernemen, dat er nu al naarstig gezocht wordt naar broodnodige (nog ontbrekende) financiering voor vele projecten uit SDE 2014 die nog steeds als "gepland" staan met beschikking*, kunnen we stellen, dat het op de "grotere" projecten markt voor PV wel eens zou kunnen gaan tegenvallen met de implementatie van alle (nog niet toegekende) "potentiële moois" uit SDE 2016. Gezien het feit dat na SDE 2014 (nog steeds volop in implementatie), SDE 2015 een marginale hoeveelheid goedgekeurde PV projecten heeft opgeleverd (11 MWp, er is alweer volume afgevoerd), en SDE 2016 mogelijk niet de schwung extra zal gaan geven die benodigd is, kon er wel eens een geduchte knauw in de te verwachten (gerealiseerde) jaarvolumes kunnen gaan komen in de periode 2016-2017. Er dreigt een "gat" met de te verwachten hoeveelheid MWp af te zetten in de Nederlandse zonnestroom markt. En dat is ronduit slecht nieuws voor de PV sector, die dan vooral moet terugvallen op de residentiële en kleinzakelijke markten (en daar voldoende profijt aan over moet houden). Daar moet dan een grote hoeveelheid worden gerealiseerd, om een dreigend "gat" in de grote projecten markt te kunnen opvangen.

Wordt ongetwijfeld vervolgd.

* Nader toegelicht door Polder PV in telefonisch interview met BNR Radio. Uitgezonden op 12 mei 's ochtends, zie artikel met uitzending. Zie ook het item in artikel bij Solar Magazine.


Feiten ctd.: grafieken
Van de karige gegevens die er nu bekend zijn gemaakt heb ik uiteraard weer een paar grafieken gemaakt. Ik heb de eerste ronde van SDE 2016 een apart status gegeven, en deze vergeleken met de ontwikkelingen bij de voorgaande "SDE +" rondes. Voorzover er tenminste info is voor SDE 2016. Veel info ontbreekt nog, dus ik kan lang niet alles laten zien in vergelijking met eerdere jaren.

SDE 2016 ronde I - basic facts

In deze grafiek 4 variabelen die uit de informatie van RVO.nl konden worden gehaald. Het agentschap heeft per fase de data weergegeven, ik heb van die data voortschrijdende accumulaties (van SDE 2016 ronde I) berekend zodat we een "evolutie pad" kunnen laten zien, voor genoemde vier variabelen. Als "ijk" punten heb ik de laatste dag van elke fase genomen, zoals RVO eerder al heeft gepubliceerd (afkomstig uit Staatscourant publicaties, die altijd leidend blijven). Voor de variabele "maximaal subsidiabele productie" in GWh gelieve de rechter Y-as te raadplegen, de overige drie variabelen hebben de linker Y-as als referentie. Deze grafiek geeft de totalen voor alle opties bij elkaar weer. Individuele data zijn (nog) niet verstrekt door RVO, ook de segmentatie naar modaliteit ("elektra", "warmte" of "gas") kon per afzonderlijke fase niet worden bepaald.

Het aangevraagde budget (violette curve) ontwikkelde zich rap, van ruim 2 miljard Euro aan het eind van fase 1, tot 7,8 miljard Euro aan het eind van fase 3, om dan snel af te vlakken over de langere periode van fase 4 tot en met de officiële eind datum, 28 april 2016, uiteindelijk bijna 8,2 miljard Euro. De overschrijding van de beschikbare 4 miljard Euro (horizontale rode stippellijn) vond al voor het eind van fase 2 plaats. Alle projecten die later zijn aangevraagd (dat is o.a. de overgrote meerderheid van de PV aanvragen) hebben daardoor al een sterk verminderde kans om nog in aanmerking te komen.

Het aantal aangevraagde projecten (oranje curve) groeide gestaag van 395 naar 1.052 in de eerste 2 fases. Om vervolgens door de enorme instroom van met name ruim 2.100 nieuwe PV aanvragen zeer snel door te groeien naar 3.193 stuks. Fase 4 bracht slechts een gering aantal extra nieuwe aanvragen, de eerste ronde van SDE 2016 eindigde op 3.354 aanvragen voor alle opties. Dat is, met een 14% hoger totaal budget, ongeveer ruim 16% minder aanvragen, dan de 4.014 oorspronkelijke aangevraagde projecten onder de SDE 2014 regeling (waarvan 3.715 PV). Laatstgenoemde regeling is er in de laatste stand van zaken gaandeweg alleen al voor zonnestroom alweer 825 kwijtgeraakt, een vette aderlating van 22%. Ergo, bij lagere aantallen aanvragen (beschikkingen nog lang niet duidelijk voor 1e ronde SDE 2016), en een nog competitiever veld "andere" aanvragen, zullen dergelijke aderlatingen waarschijnlijk ook een hoge impact gaan krijgen binnen SDE 2016. Er zal veel minder gaan overblijven dan wat nu is aangevraagd.

RVO gaf ook voor de totalen per fase het aangevraagde vermogen (nominale productie capaciteit) op, dit is weergegeven in de groene curve. Die komt "enigszins" qua verloop overeen met die voor de aantallen, maar het effect van de enorme hoeveelheid PV installaties is veel minder stevig tussen fase 2 en 3. Dat komt omdat dergelijke projecten gemiddeld véél kleiner zijn dan de gemiddelde projecten bij de overige opties. Als we de totalen per optie weergegeven in de kamerbrief van Henk Kamp in ogenschouw nemen, zien we gemiddeldes tussen de 1,4 MW per project bij windenergie (moeten haast wel "enkele turbine" projecten zijn geweest?) via 9,4 MW (biomassa gas) en 19,6 MW (geothermie) tot zelfs 209 MW gemiddeld voor de vier bijstook projecten in de fel bekritiseerde steenkolen centrales. Daar steekt de 0,36 MWp van "een gemiddeld" aangevraagd zonnestroom project schriel bij af. Dus zelfs al heb je veel van die aanvragen, t.o.v. het geheel voegen die "relatief minder" capaciteit toe, dan slechts een paar grote biomassa joekels. In totaal is er met de sluiting van deze eerste SDE 2016 ronde voor 3.126 MW (ruim 3,1 GW) aan productie capaciteit aangevraagd.

Tot slot de maximaal te subsidiëren fysieke productie, blauwe curve, waar het allemaal om draait - of om zou moeten draaien (rechter Y-as). Die volgt qua vorm vooral die van de curve van het aangevraagde budget, bereikte in de fase van budget overtekening (fase 2) al een volume van bijna 90 TWh (90.000 GWh), en eindigde na de twee laatste (grotendeels vrij kansloze) fases op een maximum van bijna 132 TWh. NB: dat is de gemaximeerde energie opbrengst over een periode van maximaal 15 jaar, vandaar de hoge getallen.


Verloop aangevraagd subsidie budget SDE "+" (2011 tot en met 2016 ronde I)

In bovenstaand plaatje de "aanvraag historie" voor alle SDE "+" regelingen sinds SDE 2011, tot en met de eerste ronde van SDE 2016. En wel, de progressie van de budget claims in miljoenen Euro, per peildatum. Zeer goed is te zien dat die evolutie extreem verschillend is geweest tussen de regelingen onderling. Dit heeft slechts deels te maken met de gemaximeerde budgetten per regeling, die in de getoonde figuur weergegeven zijn met het uiteinde van de rode pijltjes (vanaf het eerste peildatum punt waarvoor budget data beschikbaar waren). Die budgetten zijn stapsgewijs opgeschroefd, van € 1,5 md (SDE 2011) via 1,7 md (SDE 2012), 3 md (SDE 2013), 3,5 md (SDE 2014 en 2015), tm. 4 md (SDE 2016 rondes I en II beiden zelfde bedrag). De meeste regelingen waren "relatief snel" uitgeput, SDE 2012 al op dag 1, SDE 2011 binnen een week. Bij andere regelingen duurde dat beduidend langer. De budget claim voor SDE 2015 (3,5 miljard Euro) was pas op de 65e dag na de officiële start overschreden. Dat voor de "beroemde" SDE 2014, met hetzelfde gemaximeerde budget, zelfs pas op de 217e dag. Waardoor er een "unieke", massieve hoeveelheid zonnestroom project aanvragen toegekend konden worden, in de laatste, zeer lucratieve fase van die regeling.

Vrij "byzonder" is het beeld voor de eerste aanvraag ronde van SDE 2016. Die duurde zoals hierboven weergegeven, "extreem kort", en daardoor is het ook niet gek dat al op de dertiende dag na de start, voordat de 2e fase was afgesloten, de budget claim van 4 miljard Euro (ver) was overschreden. Het gehele beeld van al deze regelingen bij elkaar geeft een duidelijk punt weer: door het continu wipkippen met voorwaarden, fase indeling, periodes van aanvraag mogelijkheid, en wat dies meer zei, is de evolutie voor alle regelingen extreem verschillend geweest. En heeft een bedrijf geen touw om aan vast te knopen wat er in "een volgende" SDE "+" regeling zal geschieden, en wat de "kansen" daarin dan wel zouden zijn of worden. Daar kun je natuurlijk geen stabiel investeringsbeleid op stoelen, op dergelijk politiek gemotiveerd flipperkast-beleid. Beleid waar Nederland al talloze jaren als een zieke hond gebukt onder gaat.

In de grafiek óók separaat weergegeven de aanvragen voor de zonnestroom projecten in de regelingen waarvoor cijfers beschikbaar waren, als korte streepjes in dezelfde kleur als voor de budget claim voor álle projecten in die regeling. Helaas zijn voor de laatste 2 regelingen, SDE 2015, en SDE 2016 ronde I, géén data voor (apart) zonnestroom bekend gemaakt.

Let tenslotte ook op het "eindpunt" voor SDE 2016 ronde I: nog nooit eerder in de SDE "+" (noch SDE) historie is er zo veel budget geclaimd: 8,2 miljard Euro. En dat bovendien in een ultra-kort tijdsbestek. SDE 2015 was daarvoor record houder, met 7,7 miljard Euro waarvoor projecten waren aangevraagd. Minimaal de helft van de record budget claim voor SDE 2016 ronde I "moet" helaas weer overboord gekieperd gaan worden. Alle moeite voor het tot stand brengen van die betrokken aanvragen is dan allemaal wederom voor niets geweest... Het zal de vele frustraties die er al lang zijn bij het bedrijfsleven over de "uitvoering" van de SDE subsidie kermis - in een tijdsbestek dat Nederland bijna letterlijk schrééuwt om meer fysieke implementatie van echt duurzaame energie opwek - alleen maar groter gaan maken.


Verloop aangevraagde (gemaximeerde) hoeveelheid subsidiabele energie productie SDE "+" (2011 tot en met 2016 ronde I)

In deze laatste grafiek de maximale (aangevraagde) hoeveelheid te subsidiëren energie productie (alle opties, ruitvormige labels, en zonnestroom indien data voorhanden in zelfde kleur als klein streepje) per SDE "+" regeling. Grofweg een vergelijkbaar beeld tonend als de curves in de vorige grafiek, maar afhankelijk van de dominantie van de betreffende categorieën bij de gealloceerde budgetten, soms ook forse afwijkingen, met name in de "hoogte" van de curves. SDE 2012 had, met een zeer hoog dominante claim van de modaliteit "warmte", ook een daar uit volgende hoge claim op de hoeveelheid productie. Uiteraard is niet de "top" van bijna 140 TWh eq. (!!) bereikt voor die regeling, maar een veel lager, echter nog steeds zeer hoog niveau van zo'n 95 TWh eq., toen op dag 1 meteen al het subsidie budget werd geclaimd (links in grafiek).

Lichtpuntje thermische zonne-energie
Er is nog wel een lichtpuntje te melden, voor zonne-energie aficionado's sensu lato. Waar in voorgaande jaren thermische zonne-energie (populair: "zonnecollectoren") een zeer marginaal bestaan had bij de (vrijwel allemaal afgewezen) spaarzame aanvragen, lijkt een keerpunt bereikt. In fase 1 zijn er nu 3 aanvragen gearriveerd bij RVO, in fase 2 (de "over budget heen" fase) maar liefst 36, en zowel in fase 3 als 4 werden nog eens elk 4 aanvragen genoteerd. Tot nog toe een hoge "score" van 47 project aanvragen. Die per stuk minimaal 200 m² collector oppervlak (zgn. "apertuur") moeten hebben. We hopen dat er niet teveel van af gaat vallen, en dat er een paar mooie projecten uit mogen gaan komen. Maar ook dat is nog niet zeker, en zullen we moeten gaan afwachten.

Blundertje EZ
In de kamerbrief met deze eerste cijfers voor SDE 2016 claimt EZ (in casu Henk Kamp) dat er "in tegenstelling tot eerdere jaren, veel meer aangevraagd vermogen" voor zonnestroom zou zijn geweest. Dat is een nogal bizarre en ook onjuiste statement. Er is binnen SDE 2016 ronde I, met een totaal budget claim van 4 miljard Euro momenteel in 4 fases 1.122 MWp PV capaciteit aangevraagd. Dat is ongeveer 281 kWp per miljoen Euro gemaximeerd budget. In SDE 2014 (totaal 6 fases, max. 3,5 miljard Euro beschikbaar) werd met 3.715 PV aanvragen oorspronkelijk 1.347 MWp capaciteit geclaimd. Dat is ongeveer 385 kWp per miljoen Euro gemaximeerd budget. En dat is toch echt 37 procent hoger dan de uitkomst voor SDE 2016 ronde I. Dat lijkt me de enige correcte conclusie ...

Kamerbrief Verloop eerste openstelling SDE+ 2016 (brief van Min. EZ aan Tweede Kamer, 9 mei 2016, hierin ook aangevraagd vermogen per optie 4 fases ronde I SDE 2016)
Meer dan 3.000 aanvragen voor SDE+ voorjaar 2016 (bericht RVO 9/11 mei 2016)

Voorjaarsronde SDE+ dubbel overtekend: weinig wind, veel zon (Energeia, 9 mei 2016, pay-wall)

Stand van zaken Stimulering Duurzame Energieproductie (tabellen RVO over aanvragen en beschikkingen alle SDE regelingen)


 
^
TOP

5 mei 2016: CertiQ update april 2016 - ruim 10 MWp nieuw PV vermogen, weer minder installaties, wind capaciteit > 4 GW. In het laatste maandrapport van TenneT dochter CertiQ komen we weer enkele kleine verrassingen tegen. Het aantal geregistreerde PV installaties is wederom, zoals vaker in het (recente) verleden is geschied, afgenomen, en wel met 93 stuks. Waardoor eind april er nog "maar" 11.530 systemen over waren in de CertiQ databank. Maar zoals ook vaker in het verleden is geschied, het geaccumuleerde PV vermogen nam wederom flink toe, met 10,552 MWp. Wat een record geaccumuleerd volume van ruim 265,5 MWp gecertificeerd PV vermogen opleverde, zoals te zien in onderstaande grafieken. Ook is vermeldenswaard dat de gecertificeerde windturbine capaciteit de 4 GW grens heeft doorbroken in de CertiQ rapportages.

De toevoeging van 10,6 MWp nieuw gecertificeerd PV vermogen in het april rapport van CertiQ was weer aardig wat meer dan in het document voor maart, maar haalde bij lange na niet de record toevoegingen in de eerste twee maand rapportages voor 2016. Het ligt wel veel hoger dan het gemiddelde niveau in de periode tot en met juni 2015.

Sinds de "versnelling" vanaf juni 2015 is er tot en met april 2016 136 MWp gecertificeerd PV vermogen bij gekomen, meer dan er tot en met juni vorig jaar was geaccumuleerd (130 MWp). Dit is bijna uitsluitend het gevolg van implementatie van de enorme portfolio aan SDE (Stimuleringsregeling Duurzame Energie) 2014 beschikkingen (oorspronkelijk 883 MWp toegekend). Het eind daarvan is nog lang niet in zicht.

Op basis van de geaccumuleerde aantallen installaties, én het hierboven weergegeven totale daarmee gepaard gaande PV vermogen, kunnen we weer de evolutie van de gemiddelde systeemgrootte reconstrueren per rapportage maand:

We zijn inmiddels, met name veroorzaakt door de toevoeging van "relatief weinig maar per stuk (zeer) grote PV projecten", ook bij de gemiddelde systeemgrootte alweer op een nieuw "record" volume beland: 23 kWp gemiddeld per project telt de CertiQ populatie eind april 2016. De verwachting blijft, dat steeds meer oude "kleine" PV projecten bij CertiQ zullen verdwijnen (maar nog steeds jarenlang zonnestroom zullen blijven produceren). En dat de overblijvende populatie zal bestaan uit voornamelijk recent middels SDE (+) subsidies tot stand gekomen grote PV installaties. Die het gemiddelde, bij elk nieuw groot project wat wordt toegevoegd, verder omhoog zal blijven stuwen.

Op het front van de aantallen PV systemen geregistreerd is er helaas, zoals al gemeld, weer minder goed nieuws: er zijn wederom netto 93 inschrijvingen "verdwenen", zoals het laatste blauwe kolommetje laat zien. Het vorige "record" aantal van maart 2016 is dus weer verlaten, en we moeten het (tijdelijk?) met "minder registraties bij CertiQ" doen. Ondanks de fors toegenomen capaciteit, getoond in de eerdere grafieken: relatief weinig nieuwe instromers hebben gemiddeld genomen een veel hogere capaciteit dan de kennelijk vele "afscheid nemers" bij CertiQ.


Groei gecertificeerd vermogen in samenhang met Garanties van Oorsprong (GvO's)
Bij de groei van het aantal uitgegeven garanties van oorsprong voor zonnestroom hebben we weer een nieuw record te pakken. In april werd in totaal voor 14,77 GWh aan GvO's uitgegeven, terwijl het vorige maand (rapportage) record slechts 11,76 GWh bedroeg (aug. 2015). Ook dit geeft aan dat de groei aan nieuw bij CertiQ geregistreerd PV vermogen zeer fors moet zijn geweest, anders had er nooit zo'n snelle toename in uitgegeven GvO's geweest, die immers (uiteindelijk) representatief moet zijn voor de fysieke zonnestroom productie van de gelogde systemen. Dat laat de volgende grafiek goed zien:

De violette curve geeft de accumulatie van het PV vermogen bekend bij CertiQ weer - met de nieuwe record accumulatie van bijna 266 MWp eind april 2016. De blauwe curve geeft de door CertiQ uitgegeven GvO's voor gecertificeerde zonnestroom productie weer (een fractie van het nationale totaal, CertiQ heeft slechts een zeer beperkt deel van het nationale volume in haar databank). Tot het voorjaar van 2015 zaten daar ook GvO's voor productie in eerdere maanden bij (gestippelde lijn), vanaf dat voorjaar zouden alleen GvO's voor productie in de maand van rapportage zijn weergegeven (getrokken lijn). De "zaagtand" rechts moet waarschijnlijk nog worden gecorrigeerd wegen administratieve achterstanden. Wel is duidelijk dat in april 2016 al een absoluut record is gevestigd van 14,8 GWh aan zonnestroom productie voor de bij CertiQ bekende PV installaties. Daar zou je in theorie het gemiddelde maandverbruik van ruim 58.000 huishoudens mee kunnen vergroenen (aanname: gem. 3.050 kWh/HH.jr excl. eigen zonnestroom opwek volgens CBS Statline 2014). Uiteraard is de verwachting dat die GvO curve flink verder opwaarts zal groeien. Wel met tijdelijk optredende zaagtand effecten waar de administraties achter lopen op de feitelijke productie van zonnestroom, er zit behoorlijk wat vertraging in de verwerking van data in het systeem.


Wijzigingen aantallen/vermogen bij CertiQ geregistreerde installaties en productie + windturbine record

Er zijn netto in totaal 90 "duurzame elektriciteit producerende" nieuwe installaties uitgeschreven t.o.v. het maart rapport van CertiQ. Er was een netto toename van 3 windenergie projecten (netto toevoeging 149 MW capaciteit), en er werd een stortgas installatie (netto ruim 0,9 MW) bijgeschreven. Het grootste verlies was, zoals reeds gesignaleerd, bij PV (netto minus 93 projecten in een maand). De grootste verliezer wat "modaliteit" betreft was biomassa bijstook (in kolencentrales). Wederom ging er 1 - althans, in de registratie van CertiQ - verloren, met een netto vermogen van 342 MW. Een verlies van bijna 11% van de opgestelde (resterende) capaciteit in maart. Er zijn er nog maar 5 over, en Polder PV hoopt dat die ook zullen verdwijnen. Want bijstook (van meestal uit het verre buitenland hierheen getransporteerde "bos restanten") op fossiele steenkool kan met geen mogelijkheid "duurzaam" worden genoemd. Het is - en blijft - een aanfluiting van het begrip duurzaamheid.

De netto balans bij de vermogens was als volgt. In de "plus" t.o.v. het maart 2016 rapport: windenergie (+ 148,6 MW), zonnestroom (+ 10,6 MWp), stortgas (+ 0,9 MW), en waterkracht (bij ongewijzigd aantal toch een merkwaardige netto toename van het vermogen van 0,25 MW). Door de enorme impact van het verlies van een biomassa op steenkolen stoker (minus 342 MW), was het netto verlies bij biomassa totaal bijna even hoog, een aderlating van 7,6% bij het geregistreerde vermogen in de maart rapportage. Dit had ook voor het totaal aan alle opties direct negatieve impact: Netto (alle plussen en minnen optellend) is er bijna 182 MW "verloren gegaan", minus 2% van de in maart nog geregistreerde "duurzaam veronderstelde productie capaciteit".

Intermezzo - totale windturbine capaciteit overschrijdt 4 GW drempel
Interessant is het om te melden dat, op basis van de CertiQ rapportage voor april 2016, voor het eerst in de Nederlandse geschiedenis, er nu een opgestelde gecertificeerde capaciteit aan windturbines (NB: op land en in zee) is geregistreerd van ruim 4 Gigawatt. Voor wind op land alleen zou de 3 GW drempel op 20 november 2015 zijn bereikt volgens de statistici van windenergie specialist Bosch en van Rhijn (windstats). Of alle nieuwe bij CertiQ geregistreerde turbines ook daadwerkelijk al operationeel zijn, durf ik nog niet met zekerheid te stellen. Zeker m.b.t. de exemplaren op zee, waarvoor een complexe netkoppeling gemaakt moet worden, vaak via een aparte "hub" op zee.

Op de langere termijn bekeken (status 1 dec. 2013), is er tot en met april 2016 een netto verlies geweest van 509 MW van het toen opgestelde nationale "duurzame" vermogen van 9,0 GW, minus 5,6%. Dit was een netto effect van een enorm verlies van bijna 2 GW (!) aan productie capaciteit "biomassa" (minus 32%!), en tegelijkertijd een forse (+ 1,3 GW, 47% groei) toename van windturbine capaciteit, en een enorme versnelling van het toegevoegde - gecertificeerde - PV vermogen (+ 177 MWp, 201% groei).

In de april rapportage bestaat, ondanks de heftige verliezen bij biomassa, nog steeds 42,4% van het geaccumuleerde vermogen uit "dubieuze" opties biomassa bijstook in kolencentrales, en AVI's ("grondstoffencrematoria"), 47,9% is windturbine capaciteit, 3,1% PV vermogen, en 0,4% hydropower. 6,1% restpost valt toe aan "andere" biomassa modaliteiten ("overig", vergisting, en een klein beetje stortgas).

NB: "netto" toename of afname is altijd een combinatie van het verschil tussen (nieuwe) inschrijvingen en uitschrijvingen in dezelfde maandrapportage bij CertiQ. Er kan dus "negatieve" groei optreden tussen twee maandrapportages in, ook per categorie.


Totale productie van stroom uit duurzaam veronderstelde bronnen

CertiQ geeft op dat er, tot nog toe geregistreerd, 13.284 GWh stroom uit (verondersteld) duurzame bronnen is geproduceerd in de laatste 12 maanden tot en met maart 2016 (laatst beschikbare actuele cijfer). Er kan echter nog een hoop volume bij komen, omdat de administratieve procedures voor het verwerken van alle data lang zijn. De meeste van de duizenden particuliere PV installaties met SDE 2008 tm. SDE 2010 beschikking worden bijvoorbeeld maar een keer per jaar door de netbeheerders "bemonsterd" (gemeten), en het kan lang duren voordat die gegevens zijn verwerkt. Tot nog toe is er voor de laatste 12 maanden tot en met maart 2016 144,9 GWh zonnestroom genoteerd (1,1% van totaal, maar dat percentage zal waarschijnlijk gaan wijzigen bij toevoeging van nieuwe data voor alle bronnen).

Tot nog toe is er voor alleen de maand maart 2016 948 GWh "duurzame" productie genoteerd, waarvan 14,8 GWh zonnestroom (aandeel 1,6%).


Import / export GvO's

Weer een verrassing bij de landen van herkomst voor de enorme import van GvO's, fossiele stroom rijk Nederland in: Windenergie "super"natie Denemarken leverde het grootste aandeel van de groene papierwaren, en wel bijna 30% (955 GWh) van het totaal (een enorm volume van 3,2 TWh in april, weer meer dan in maart, en een equivalent van driekwart van de jaarlijkse stroomproductie van kerncentrale Borssele). Dat is bij mijn weten sinds 2015 maar één keer eerder voorgekomen (mei 2015 Denemarken grootste aandeel met zelfs 32,4% van het totaal). Ruim 10% van de totale Deense "GvO export" naar Nederland bestond trouwens uit biomassa certificaten.

Italië volgde Denemarken op de voet (totaal 26,6%) met, wederom wellicht verbazend, een heftig aandeel windenergie GvO's (72%), en het enige aandeel zonnestroom GvO's op het totaal (103 GWh, 3,2% van totaal aantal NL in geïmporteerde "groene" certificaten. Pas in derde instantie kwam Noorwegen (15,7%), jarenlang "hof" leverancier van daar bijna niets waard zijnde groene papiertjes aan Nederland. En inmiddels wellicht, gezien de vele discussies over die "sjoemelstroom certificaten van waterkracht centrales", tot enigszins "besmet" herkomst land verklaard door de Nederlandse handelaren? Ook opvallend is, dat dik 34% van die Noorse certificaten export naar Nederland in april 2016 windenergie betreft, terwijl gedurende lange tijd die export verpletterend gedomineerd is geweest door spotgoedkope GvO's uit de al decennia bestaande paar hydropower plants in dat rijke Scandinavische land...

Er was weer een ruime - daadwerkelijk gerealiseerde - keus uit GvO's uit andere landen, tot in Ierland aan toe. Uit het niet aan het Europese stroomnet gekoppelde IJsland werd zelfs voor 2,5% van het totaal aan GvO's voor geothermie het verre Nederland in geïmporteerd. In totaal werden de elektronische papierwaren uit maar liefst 12 landen virtueel naar Nederland "verscheept". Waaronder een fors contingent van 3,6% (114 GWh) ... uit Nederland zelf. Leve de "heldere" handel in groenheid, Henk en Ingrid zullen glazig uit de ogen kijkend er een biertje extra op drinken... Let s.v.p. ook zeer goed op het "nihil" aandeel van import van GvO's uit Groene Stroom Productie Kampioen Duitsland.

Wederom is er meer aan GvO's geïmporteerd t.o.v. het maart rapport: een volume van 36,7 (april) t.o.v. 35,4 TWh (maart). Ondanks de "stapsgewijs afkalvende" hoeveelheden GvO's uit Noorwegen blijft het land nog steeds aan kop staan, met een licht terug gevallen aandeel van 23,2% van het totaal (vorige maand nog 25,1%). Inmiddels op de 2e plaats belandend Italië (17,7%), Frankrijk (17,0%), en Zweden (naar 4e plaats verdrongen, 15,2%) blijven strijden om het erepodium, daarbij vooral GvO's uit hun ook al zeer oude stuwmeren inzettend. Al komen er opvallend veel windenergie GvO's uit het Mediterrane Italië, de laatste maanden. De rest is, afgezien van Denemarken (omhoog gegaan van 6,1 naar 8,4%) "klein bier" op het totaal. Waarbij met name de scharrige positie van wind- en zonnestroom productie kampioen Duitsland, met slechts 0,7% van het totaal, blijvend zou moeten opvallen voor de kritische beobachter...

Export van GvO's

Het steeds "simpeler" wordende plaatje met export van (door Nederland grotendeels door-verhandelde) GvO's laat nog maar 2 "landen van export" zien. België slokt al jaren de meeste exemplaren op, ditmaal zelfs een spectaculaire 98% van het magere totaal van 235 GWh. De "anomalie" dat Noorwegen opeens onze grootste "land van bestemming" was en tegelijkertijd - over een langere periode bezien - de grootste leverancier (vorige maand rapport), is nu weer even doorbroken. Al blijft het raar dat er nog steeds voor 4,7 GWh aan GvO's "terug" naar de in groene stroom "verzuipende" Noren zijn gegaan (2%). Er gaan geruchten dat het land die GvO's weer zou doorverkopen aan het Verenigd Koninkrijk, waar de "marktwaarde" van dergelijke groene certificaten momenteel "hoog" zou zijn. Een niet te volgen chaos van transacties is het gevolg (zeker bij alweer wijzigende "stroom markt condities"). En leken komen nooit te weten wat er nu precies achter al die schimmige transacties voor powerplay schuil gaat... Het geëxporteerde volume (235 GWh) was slechts 7,4% van de 3,2 TWh die aan GvO's ons land in werden geïmporteerd, in april jl. (zie vorige tabel hier boven).

Het totale export volume van GvO's in de afgelopen 12 maanden incl. april 2016 was bijna 2,7 TWh. Dat is slechts 7,3% van het in dezelfde periode geïmporteerde volume (36,7 TWh) om onze blijvend smerige gas/kolen gestookte stroomvoorziening te verschaamgroenen. Doordat België in april weer bijna alle geëxporteerde GvO's (handelswaren) van Nederland opkocht, is het land weer wat uitgelopen op Noorwegen (52,0 versus 44,9%), maar het blijft hoogst curieus dat Noorwegen het veelvoudige aan virtuele groene papierwaren tegelijkertijd aan de grootste Europese GvO slokop van allemaal blijft leveren: Nederland.


Status fysieke export / import stromen BRD <-> NL <-> B

De fysieke stroom balansen tussen onze oosterburen en zuiderburen, in kalenderjaar 2015, update begin mei 2016, is ongewijzigd t.o.v. de vorige update. Zie aldaar (Energy Charts data van ENTSOE). In dat vorige CertiQ update artikel ook de rampzalige status met de inzet van steenkolen voor de productie van elektriciteit in onze stroommix (status tm. 2015), en het zeer significant afvlakken van het stroomverbruik in ons land t.o.v. "top" jaar 2008, in grafiekvorm.


Jaarverslag 2015 CertiQ

Ondertussen is ook het jaarverslag over 2015 door CertiQ gepubliceerd (23 mrt. 2016, zie download pagina). Daarin vooral de financiële verantwoording van de organisatie, echt goede deel statistieken over de duurzame energie installaties zijn daar al jaren niet meer in terug te vinden. Alleen lump-sums, waarbij de detaillering soms zeer te wensen overlaat. De data die over zonnestroom zijn gepubliceerd komen overeen met het veel gedetailleerdere eerste jaar rapport van 3 maart 2016, wat ik al heb besproken en geïllustreerd. En ook die data zijn nog lang niet in beton gegoten, er komt immers nog een gereviseerd jaar rapport voor 2015 in de zomer van 2016, en zelfs daarna kunnen nog historische data - op bescheiden niveau - aangepast worden.

In het jaarverslag over 2015 staan nota bene voor 2014 de verouderde (later aangepaste!) cijfers vermeld, en voor 2015 voor zonnestroom: 12.642 geregistreerde installaties, met daarnaast een zeer grof afgerond "vermogen van 0,2 GW". Die data komen overeen met de cijfers in het eerste jaar rapport 2015, waarbij het daarmee gepaard gaande vermogen veel nauwkeuriger is opgevoerd voor eind vorig jaar: 207,715 MWp. Dit cijfer kan (en zal) later nog worden gewijzigd.

Ook in dat jaarverslag een eerste estimate voor de "productie van duurzame elektriciteit" (incl. zonnestroom) in 2015. Ook dat is weer een complex verhaal, er zijn namelijk voor 13,1 TWh GvO's in dat jaar aangemaakt door CertiQ, maar een nog onbekend "kleiner" deel daarvan valt toe aan productie uit eerdere jaren. Dus het kan beslist zo zijn dat fysiek in 2015 fors minder dan 13 TWh is geproduceerd (alle duurzaam veronderstelde bronnen), wat maximaal 11,9% van de 109,6 TWh stroom productie in dat jaar kan zijn geweest. T.o.v. het totaal stroom verbruik in 2015 (118,4 TWh) zou 13 TWh maar maximaal 11% zijn geweest. Daarbij moeten we echter beslist niet vergeten dat CertiQ zo'n 85% van de Nederlandse zonnestroom productie helemaal niet bijhoudt, laat staan "kent". Die enorme hoeveelheid valt daar dus helemaal buiten...


Warmte uit hernieuwbare bronnen

Kort ook nog even het nieuwe april rapport over de GvO's van "warmte uit hernieuwbare bronnen". Er zijn wederom, t.o.v. de vorige update, alweer 2 biomassa projecten bijgekomen, wat het totaal voor die optie momenteel op 198 brengt. Geothermie bleef op 12 projecten staan, er zijn eind april 2016 dus 210 warmte projecten ingeschreven bij CertiQ. Gezamenlijk gaat het om een opgestelde capaciteit van bijna 1.494 MW, waarvan ruim 88% biomassa centrales omvat. NB: ondanks de (netto) toevoeging van 2 biomassa installaties, is er t.o.v. het vorige maandrapport zo'n 5 MW capaciteit verdwenen.

Volgens het recent verschenen jaarverslag van CertiQ ovr 2015, zou er eind dat jaar (slechts) 2 MW aan capaciteit aan thermische zonne-energie installaties ("zonne-collectoren", voor productie van warm water) staan geregistreerd.

De tot nog toe geregistreerde hoeveelheid (gecertificeerde) duurzame warmte, waarvoor ook door CertiQ "warmte GvO's" worden verstrekt, kwam over de laatste 12 maanden op een equivalent van 2.040 GWh (thermisch). Gezien dit nog "jonge" dossier, kan er nog een hoop daadwerkelijk geproduceerde energie bij gaan komen, omdat de rapportage verplichtingen vooral op het gebied van warmte complex zijn, en veel tijd kosten. Genoemde hoeveelheid duurzaam geproduceerde warmte is ruim 15% van de 13,3 TWh die in de laatste 12 maanden tot en met maart 2016 uit elektriciteit "duurzaam" werd opgewekt volgens het al jaren lang lopende equivalente dossier bij CertiQ.


Voorgaande analyses van maand rapportages CertiQ, door Polder PV:

Maart 2016
Februari 2016
Januari 2016

2015:
Eerste (voorlopige) jaaroverzicht 2015
December
November
Oktober
September
Augustus
Juli
Juni
Mei
April
Maart
Februari
Januari

Statistische overzichten CertiQ (extern)


 
^
TOP

21 april 2016: Mogelijke verklaringen voor statistische aberraties PV statistieken Nederland. Al snel nadat ik mijn laatste statistiek analyse had gepubliceerd over de registraties van PV installaties in het Klimaatmonitor "totaal" dossier (KMt), kreeg ik al een e-mail van Rijkswaterstaat, waarin mogelijke verklaringen voor door mij vastgestelde "vreemde zaken" en "afwijkingen" worden gegeven. Ik geef hier de essentie weer, inclusief een mogelijke verklaring voor het al eerder vastgestelde "feit" dat het totaal volume (PV-capaciteit / opgesteld vermogen) voor het KMt dossier in 2014 hoger is komen te liggen dan het laatst gepubliceerde CBS cijfer voor dat jaar.

(1) Amsterdam

Amsterdam blijkt in de laatste update, historisch bezien uniek, een iets hogere zonnestroom capaciteit te hebben "genoteerd" binnen hun gemeentegrenzen, dan Klimaatmonitor KMt momenteel omvat. 16,94 MWp versus 16,33 MWp. Dit heeft volgens de heer Nijsink van Rijkswaterstaat waarschijnlijk te maken met het feit dat er, i.t.t. voorheen (toen "PC6" de norm was), nu op een veel grover "buurt"niveau moet worden ontdubbeld. Waardoor, volgens hen, KMt met haar volumes "per definitie lager zal uitkomen dan wat er daadwerkelijk al staat". Nijsink neemt een voorbeeld van een buurt (Jordaan), waarin volgens het PIR deelregister (afkomstig van Netbeheer Nederland) 31,29 kWp zou staan. Andere registraties die ze bij Rijkswaterstaat hebben ontvangen geven echter een vermogen van 35,32 kWp in die buurt. Binnen Klimaatmonitor wordt in zo'n geval "het hoogste volume van de twee registraties" genomen als "waarschijnlijk het dichtst bij de waarheid".

Die verschillen kunnen trouwens aanzienlijk zijn. Alleen voor Amsterdam heb ik even een vergelijking op buurtniveau gemaakt: Van de 97 onderscheiden buurten binnen die gemeente in de Klimaatmonitor databank is er slechts één die een (microscopisch) lager vermogen in het verzameldossier KMt blijkt te hebben dan wat er in het belangrijkste PIR deeldossier staat (blijkt gewoon een afrondings-verschil achter de komma). Zijn er 11 buurten die evenveel capaciteit hebben staan (KMt versus KM-PIR). En is de rest allemaal - soms veel - hoger in KMt. De buurt met het hoogste verschil, maar liefst 1.160 kWp (!), blijkt Bullewijk te zijn, waar het ArenA stadion in staat. Dat grote PV-project, zelfs het grootste van Amsterdam tot nog toe, is nog steeds NIET in het PIR register opgenomen. Het is echter al in het voorjaar van 2014 opgeleverd. Het is waarschijnlijk via de kersverse update van het SDE deeldossier, ingestroomd in verzameldossier KMt (het project heeft een SDE 2013 beschikking). Als steekproef heb ik ook even naar de "industriewijk" buurt Hessenpoort in Zwolle gekeken: daar blijkt tussen het PIR register en KMt een verschil van bijna 2,5 MWp te zitten. Nota bene: bij een gelijk aantal projecten in die buurt. Die 2,5 MWp is ongeveer de capaciteit van het eind van de zomer 2015 opgeleverde, grootste dakgebonden PV project van Nederland, Wehkamp...

Er kan naast de geconstateerde, soms forse verschillen tussen KM-PIR en KMt registers, ook in buurten met "normale" ontwikkeling van de PV markt (zonder hele grote projecten), in werkelijkheid zelfs al behoorlijk wat méér vermogen staan dan in het KMt register. Dat kan, als er relatief weinig "dubbelen" blijken te staan in de PIR cq. "andere" registraties in die buurt. Het probleem voor de Klimaatmonitor cijferaars is, dat ze het "niveau van dubbeling" voor elke buurt (of nation-wide) niet kennen. Dat zal sowieso per (type) buurt anders kunnen uitpakken. Het hangt sterk af van het "type" PV projecten wat in een willekeurige buurt (dominant) is gerealiseerd, hoe groot die verschillen kunnen worden. Buurten kunnen in dit opzicht fors van elkaar afwijken.

Dat Amsterdam in staat is om nu een iets hoger opgesteld vermogen binnen de gemeente te "scoren" dan in het KMt register blijkt te staan, komt natuurlijk ook omdat ze veel scherper hun eigen data op het netvlies krijgen. Het gebeurt allemaal binnen de eigen gemeentegrenzen, en de gemeente heeft hoge "solar ambities". Ze willen beslist weten wat er gebeurt, tot op detail niveau. Op hun Zonnestroom op de Kaart portal staat een gedailleerd kaartje wáár tot nog toe precies welk vermogen aan PV is opgespoord, dus het is beslist niet vreemd, dat Amsterdam inmiddels waarschijnlijk "de betere" cijfers heeft op haar eigen grondgebied. En, gezien de nieuwe situatie ("ruwere" inschatting door Klimaatmonitor dan voorheen, waarschijnlijk leidend tot een onderschatting) ook, bij het opgestelde vermogen, "hogere" cijfers. Conclusie van dit voorbeeld: "in het nieuwe KMt dossier staat waarschijnlijk, gemiddeld genomen, minder PV vermogen dan er in werkelijkheid al staat". Sowieso bevat het nooit "alles", want niet alle realisaties zijn in "dossiers" te vatten (die bekend zijn bij Klimaatmonitor). De nationale registratie is zo lek als een mandje.

(2) SDE afschatting complicaties nation-wide

Een totaal andere statistische complicatie betreft de afschattingen voor het gerealiseerde SDE vermogen bij Klimaatmonitor. Ik heb daar al een uitgebreide analyse aan gewijd, en ik doe daar zelf ook nog steeds continu onderzoek naar vanwege mijn bezigheden rond de invulling van het "grote PV projecten register" (zie laatste update). Dat dossier wordt, zeker in de "hogere regionen", in zeer hoge mate bevolkt door juist die via SDE subsidies tot stand gekomen, stapsgewijs gemiddeld steeds groter wordende PV installaties.

Nijsink had daarover het volgende te melden. Per ongeluk zijn bij de invoer niet de "realisatie" jaren voor SDE gebruikt, maar de "SDE jaarronde" jaren. Zo kan het dus voorkomen, dat een pas in 2015 fysiek opgeleverd SDE project met een beschikking van, bijvoorbeeld SDE 2013, aan 2013 is toegewezen, en niet aan 2015 (!). Helaas blijkt de datum cq. feitelijk jaar van (fysieke) oplevering niet te zijn vermeld in de door RVO aangeleverde cijfers. Bij Rijkswaterstaat werd getracht door verschillen per buurt tussen de oude en de nieuwe SDE cijfers in acht te nemen, een toewijzing aan het realisatie jaar te doen. Hier worden waarschijnlijk, mede ook gezien de door mij al gesignaleerde grote problemen bij de "gemiddelde project grootte" (verkeerd gedateerde pieken), forse fouten geïntroduceerd. Een van de gevolgen ervan is bijvoorbeeld dat pas "laat gerealiseerde capaciteit" (bijvoorbeeld in kalenderjaar 2015) onterecht wat verondersteld "realisatie jaar" betreft naar eerdere jaren is verschoven. Hierdoor ontstaat een zeer kunstmatig en foutief "opleverings"-bestand bij de (steeds belangrijker wordende!) SDE projecten.

Deze systematische fout kan een belangrijke reden zijn, waarom het "historisch bijgestelde accumulatie cijfer voor 2014", genoemde 1.112 MWp in het geïntegreerde KMt register, inmiddels (fors) boven het "definitieve" CBS cijfer voor dat jaar (1.048 MWp) is komen te liggen, wat nog nooit eerder is voorgekomen. Er is mogelijk veel pas in 2015 gerealiseerd SDE volume onterecht aan het kalenderjaar 2014 toegewezen. Ik heb heel veel SDE 2014 projecten die pas vorig jaar daadwerkelijk werden opgeleverd in mijn projecten lijst staan...

Rijkswaterstaat gaat proberen deze fout te herstellen in het geïntegreerde KMt bestand. Het uiteindelijke eindresultaat (accumulaties in de status update voor 2015) is natuurlijk wel identiek, maar de "realisatie historie" is onterecht verminkt. Waardoor vreemde effecten zijn opgetreden in de oudere cijfers. En een eerlijke vergelijking met een zeer belangrijk nationaal cijfer als de accumulatie van CBS voor het jaar 2014 niet meer mogelijk is.

Als het Rijkswaterstaat lukt om "echte" opleveringsdata van RVO te krijgen, kan een veel nauwkeuriger resultaat worden bereikt. Er blijven ook daar echter problemen optreden, omdat wat RVO als "oplever datum" hanteert het eindpunt van "een correct tot stand gekomen" administratieve procedure betreft. Het lijkt er niet op, dat de werkelijk fysieke netkoppeling van de onderhavige SDE projecten als uitgangspunt wordt genomen. En dat zou voor de kalenderjaar statistieken de feitelijke piketpaal dienen te worden. Ik heb nog steeds een al eerder gemeld project op het netvlies ("Anekdote" in artikel van 12 aug. 2015), wat al sinds eind 2013 - continu gemonitord - zonnestroom staat te produceren, met een SDE 2013 beschikking op zak. Nog steeds staat dat forse, een paar honderd kWp tellende project NIET als "opgeleverd" in de meest recente SDE documentatie van RVO (1 jan. 2016) vermeld.

Er blijven dus beslist nog statistiek problemen te verwachten, zelfs als Klimaatmonitor wordt gezuiverd van de SDE problematiek zoals hierboven geschetst. Ik had niet anders verwacht.

Bronnen:
e-mail Rijkswaterstaat dd. 20 april 2016
Klimaatmonitor database
Project data en SDE analyses Polder PV


 
^
TOP

20 april 2016: Status gemeentes in het Klimaatmonitor "totaal" dossier (KMt). In navolging van de altijd leuke "rating" lijstjes voor gemeentes in het PIR register, en volgend op de eerste analyse van de "geïntegreerde" resultaten voor het totale, 9 dossiers omvattende hoofdregister bij Klimaatmonitor (KMt, dat is incl. PIR), wordt het tijd om het overzichtje voor de gemeentes in die laatstgenoemde data verzameling te laten zien. Polder PV geeft enkele grafieken voor de primaire data, en tot slot enkele afgeleide tabellen. Met daarin andere of zelfs nieuwe "kampioenen" in de statistieken die op totaal andere posities in de primaire overzichten voorkomen. Zonne-energie kent vele kampioenen. Het is maar op welk aspect je de nadruk wilt leggen.

Voor de nu volgende overzichten ben ik wederom van de laatste update van het totaal dossier (KMt) bij Klimaatmonitor uitgegaan. Eerst enkele grafieken: ratings van de "15 best performing" gemeentes voor het totaal aantal (geregistreerde) adressen met PV modules, voor het daarmee gepaard gaande geaccumuleerde vermogen (in kWp per gemeente). En tot slot de gemiddelde systeemgrootte die uit bovengenoemde gegevens kan worden afgeleid, en die enkele verrassende zaken laat zien. De bijgewerkte cijfers voor KMt zijn nu trouwens slechts vanaf 2008 bekend, kennelijk zijn voor de eerdere jaren de data te onbetrouwbaar, en/of zijn er andere problemen opgetreden. Die mogelijk hebben te maken hebben met de per 1 januari noodzakelijke, helaas "grovere wijze van ontdubbelen op buurtniveau" (vanwege gewijzigde wetgeving betreffende data opslag en verantwoording daar over).


(1) Aantallen PV installaties per gemeente in KMt "totaal register Klimaatmonitor" - 15 best performers 2015

De top drie bij het aantal in KMt verzamelde adressen / locaties met PV modules tekent zich rechtsboven af, met achtereenvolgens bij Klimaatmonitor - na ontdubbeling van deeldossiers - de resulterende "bekende" PV-locaties in Den Haag (5.020), Utrecht (4.675) en Amsterdam (4.041) . Deze volgorde is anders dan die van uitsluitend het PIR register, waarbij de top drie achtereenvolgens uit Utrecht, Den Haag, resp. Zwolle bestond (met uiteraard lagere aantallen). Natuurlijk is de volgorde lager in dit lijstje (cq. in de hele waslijst van momenteel 393 onderscheiden gemeentes) ook weer heel verschillend van die in uitsluitend het PIR register. Dit heeft te maken met de aard van de andere dossiers die ook voor KMt worden gebruikt. Die deels van veel ouder datum zijn dan "moderne" overzichten als die van het PIR, toen sommige gemeentes pionierden, en die later weer werden ingehaald door andere gemeentes met compleet andere (subsidie) omstandigheden. KMt bevat een - helaas vanaf 1 jan. 2016 vrij "grove" - ontdubbelings-operatie, waaruit een meer "gezuiverd" totaal dossier ontstaat, maar wat feitelijk een forse aanvulling betekent op het grote PIR dossier. PIR bevatte eind 2015 met de laatst bekende cijfers ruim 304 duizend adressen met PV modules. KMt "geïntegreerd" had er alweer dik 336 duizend (en bevat ook nog steeds "niet alles").

Ook opvallend aan de grafiek is het zeer verschillende verloop van de evolutie lijnen. Den Haag had al vroeg veel adressen (o.a. door vroeg actieve huurcorporaties als Vestia, 400 kWp project in 2003, en een oud initiatief als de PV-modules op talloze woningen in Wateringse Veld). En groeide weliswaar stevig door vanwege diverse subsidie regelingen. Maar Utrecht is de laatste 3 jaar aan een enorme inhaalrace bezig. Als de "hoofdstad van centraal Nederland" in dit tempo door gaat, stoot ze misschien bij de aantallen adressen onze Zuid-Hollandse residentie van de eerste plaats...

De afstand tot nummer drie, onze onvolprezen hoofdstad Amsterdam, is inmiddels al flink opgelopen. Als "zuster stad" Almere in Flevoland een tandje bij zet, kan het zo maar gebeuren, dat Amsterdam het erepodium zal moeten verlaten in dit dossier. Een andere kaper op de kust voor de derde plaats is Apeldoorn (Gld), die ook aan een forse opmars bezig is bij het aantal adressen met PV, en zelfs sneller groeit dan het op PV gebied ook actieve Zwolle ...

Een andere rappe groeier in de top 15 is Haarlemmermeer, waarbij woningcorporatie Ymere waarschijnlijk een major driver is, vanwege de - inmiddels al 1.052 - huurwoningen met zonnepanelen die ze via het Tegenstroom portal heeft beleverd. Duidelijk verschillend van de trend bij de andere 14 koplopers is de evolutie bij de werelberoemde gemeente Heerhugowaard, die juist qua tempo is ingezakt in het laatste jaar. Daar wreekt zich de pioniersrol die het 3,75 MWp deel (HHW) van het "Stad van de Zon" project (totaal project was 5 MWp, rest in Alkmaar en Langedijk) heeft opgeleverd: erna is er niet heel veel "progressie" geweest op het gebied van PV.

Tot slot heb ik in deze grafiek met een zwarte stippellijn ook het landelijke gemiddelde aantal adressen met PV modules per gemeente laten zien. Dat lag met de laatste update van KMt in 2015 op 854 adressen per gemeente. Dat is 17% van het volume voor momentaan kampioen Den Haag. Net zoals bij alleen het PIR, is Schiermonnikoog hekkensluiter in dit dossier, met slechts 16 (bekende) adressen met zonnepanelen in KMt. Mijn eigen gemeente, Leiden, staat op een relatief "aardige" 53e positie (1.432 adressen tot nog toe in de KMt lijst). Maar daarbij moeten we niet vergeten dat het een dichtbevolkt (provincie-)stadje is, en dat dergelijke steden sowieso veel meer adressen met PV hebben dan kleine landelijke gemeentes. Dus die "prestatie" valt in dat licht bezien niet echt mee.

Het totale volume van de 15 "best-performers" hier getoond telt op tot 51.831 adressen met PV modules. Dat is een spectaculaire 15,4% van het totaal van 336.356 stuks (alle gemeentes in KMt). Dat komt natuurlijk omdat het grotendeels (grote) steden zijn, die sowieso altijd veel van dat soort adressen hebben.


(2) PV vermogen per gemeente in KMt "totaal register Klimaatmonitor" - 15 best performers 2015

Ook bij de momentaan in KMt geaccumuleerde PV vermogens per gemeente (kWp) is de volgorde zowel in de top drie als verderop in de ratings anders dan die vastgesteld in uitsluitend het PIR dossier. In deze rating zijn de eerste drie gemeentes achtereenvolgens Noordoostpolder (24,9 MWp), Zwolle (22,3 MWp), en het bij PIR nog in de top ontbrekende Amsterdam. De hoofdstad in Noord-Holland ligt wel ver achter op de eerste twee, en heeft momenteel in KMt "slechts" 16,3 MWp opgesteld vermogen. Daarmee is de hoofdstad t.o.v. de registraties in alleen het PIR register, waar Hardenberg (Ov.) de derde plaats bezette (in KMt op de vierde plaats met 15,3 MWp) nog wel voor gebleven.

Intermezzo - Uniek: Amsterdam meer vermogen dan KMt
Amsterdam heeft ook al jaren - een unicum in Nederland - haar eigen PV statistieken. Momenteel zijn bij Amsterdam in het Zon op de Kaart portal 3.530 PV-systemen bekend, met een gezamenlijk vermogen van 16,94 MWp. Zoals we eerder zagen (eerste grafiek in dit artikel), zijn in het complete KMt dossier al 4.041 adressen met PV modules bekend in deze gemeente (14,5% meer), en is, mede met het oog op het voorgaande, verrassend, het opgestelde vermogen in KMt "slechts" 16,33 MWp. Ergo: de gemeente lijkt nu voor het eerst in de geschiedenis (ik heb al meermalen deze vergelijking gemaakt in eerdere analyses) in haar statistieken iets méér PV vermogen te hebben "staan", dan het KMt register aangeeft (3,7% om precies te zijn).

Dat is zonder meer interessant, maar ook weer niet heel vreemd. Amsterdam werkt al jaren hard aan implementatie van zonnestroom, met alle "forse" beperkingen die ze als dicht bebouwde stad hebben, en Klimaatmonitor heeft ook niet "alle PV capaciteit die daadwerkelijk is geplaatst", zoals ik al jaren lang heb vastgesteld. Kennelijk zit Amsterdam er bovenop, en hebben ze al meer vermogen tevoorschijn "getoverd", met zelfs minder adressen met PV. Veel van "de kleintjes" (paar panelen op het dak) zitten blijkbaar wel (al) in KMt, maar zijn nog niet bekend bij de Amsterdamse statistici. Maar kennelijk hebben de laatsten vooral de impact makende "grote(re)" projecten goed in de peiling, en liggen ze daarmee nu iets voor op de registraties bij KMt. Ik ben benieuwd hoe die verhouding tussen de "Amsterdamse" en de KMt cijfers zich zal gaan ontwikkelen, de komende tijd.

Deze overwegingen daargelaten: het is ook altijd nog mogelijk dat ook in de registraties door gemeente Amsterdam fouten kunnen voorkomen. Dat is, gezien de blijvende complicaties in de Nederlandse PV statistieken, nooit uit te sluiten.

Nagekomen: Er is door Rijkswaterstaat een mogelijke verklaring aangedragen voor het mogelijke verschil tussen de capaciteit bekend bij Amsterdam zelf, en zoals die in het KMt register staat. Zie vervolg artikel.

Terugkerende naar de tweede grafiek. Let op de zeer rappe groei, de afgelopen twee jaar, in kampioen Noordoostpolder. Dat ligt voor een zeer groot deel aan slechts een gering aantal grote daken op boerderijen met "heftige", door SDE "+" subsidies ondersteunde PV projecten. De suggestie van GroenLinks (in een artikel waarin mijn eerder op Polder PV gepubliceerde grafiek van de PIR rating is opgenomen*) dat die zeer hoge groei deels aan lokale initiatieven te wijten zou zijn, deel ik niet, want daar zijn dergelijke initiatieven meestal veel te klein voor, om in het dossier "opgesteld vermogen" (en de groei daar in) een "serieuze deuk" te kunnen maken.

* Grafiek werd zonder auteur Polder PV te raadplegen aldaar ge-herpubliceerd. Weliswaar staan mijn copyright gegevens daar in vermeld, maar ik had minimaal een begeleidende deep-link naar mijn analyse verwacht (ook voor de context zeer belangrijk, de statistieken zijn complex). Als u grafieken van Polder PV wilt gebruiken, gaarne altijd eerst contact met me opnemen! Er gaat meestal zeer veel werk zitten in een zo'n grafiek. Met dank.

In ieder geval blijft Noordoostpolder ook in deze rating kampioen, en dat is met forse schreden gepaard gegaan. Nogmaals, de expliciete reden is en blijft: groei van slechts een "paar" installaties, die per stuk van zeer grote omvang zijn. Hetzelfde zien we bij Zwolle, wat, na IKEA in 2014 (>850 kWp), ook het grootste dakgebonden project van Nederland in 2015 aan het net zag gaan, en in een keer 2,5 MWp toevoegde (Wehkamp). Met name dáárom staan die twee gemeentes in de huidige rating bovenaan. Een groeiversnelling bovenop de voortvarende groei die de (door residentiële toevoegingen gedomineerde) markt in alle gemeentes blijft laten zien.

Verder zijn wederom verschillende evolutie patronen bij de andere "top 15" gemeentes te zien. Een opvallende snelle groeier is hier het Limburgse Nederweert, waar in relatief korte tijd, sinds een nog zeer povere, lage positie in de jaren tm. 2013, verschillende grote agrarische projecten in de intensieve veehouderij zijn gerealiseerd, die beslist "meters maken" bij de capaciteitsgroei in die gemeente. En deze in de top 15 (nu op plaats 13) katapulteerde. Bij de meeste andere top 15 gemeentes bleef de groei aardig constant tm. 2015. Maar er waren ook twee gemeentes die vorig jaar met een lichte trendbreuk richting lagere groei cijfers werden geconfronteerd. Dat zijn hier de in 2014 nog fors groeiende Flevo gemeente Dronten, die door de plotselinge afzwakking in 2015 3 posities in de rating verloor. En de Noord-Hollandse gemeente Hollands Kroon, wat zelfs een nog sterkere groei in 2014 kende (veel boerderijen met middelgrote PV installaties!), en iets minder sterk dan Dronten, maar wel aantoonbaar qua capaciteits-uitbouw aan kracht verloor in 2015. Dit soort verschillen zal blijven optreden, ook in de lagere echelons. De Nederlandse PV markt en de incentives daarin zijn zo extreem dynamisch, en kunnen zo snel - ook regionaal en lokaal - wijzigen: dat heeft snel invloed op de groei scenario's van jaar tot jaar. Zelfs op het vlak van de groei in het vermogen per gemeente.

Gemiddeld genomen vertoont de curve per Nederlandse gemeente (zwart, gestippeld onderaan) sinds 2012 een mooie, continue groei, waarvan we hopen dat die trend zal worden gecontinueerd, of zelfs versneld. In 2015 eindigde de lijn op een gemiddelde capaciteit van bijna 3,9 MWp per gemeente. Mijn gemeente Leiden staat wat KMt betreft op een "anonieme" 174e plaats. Met haar 3,3 MWp geregistreerd in KMt dus behoorlijk "onder-gemiddeld". Rode lantaarndrager Schiermonnikoog zat slechts op 118 kWp, zelfs maar 3% van dat landelijke gemiddelde. Maar dat kleine, dunbevolkte Waddeneiland heeft natuurlijk niet zo veel mogelijkheden om "meters te maken" op het gebied van capaciteits-groei. Een zonnepark zie ik daar niet zomaar komen, maar misschien wil de gemeente eens gaan kijken hoe ze dat op Ameland voor elkaar hebben gebokst. Een "klein" zonneparkje zou misschien een mooi idee zijn, om niet meer op de laatste plaats te "hoeven" staan...

Het totale volume van de 15 "best-performers" hier getoond is bijna 217 MWp. Dat is, net als bij de aantallen adressen, een hoog percentage, 14,2% van het totaal van 1.525 MWp (alle gemeentes in KMt). Hier ligt dat echter niet aan het hoge aantal adressen, maar aan het "relatief bescheiden" aantal projecten, die gemiddeld echter een grote omvang hebben: hier zijn vooral gemeentes vertegenwoordigd in agrarische gebieden (veel boerderijen met PV) en gemeentes met meerdere grote projecten in bijvoorbeeld industrie gebieden en op grote gemeentelijke daken. Een fors deel van dat nieuwe volume in grote projecten, is, uiteraard, voortgekomen uit de implementatie van met name de nu nog volop lopende SDE 2014 subsidie regeling.

Genoemde momentane 1.525 MWp in het KMt dossier ligt op een aanzienlijk hoger niveau, dan het totaal volume wat het (grootste) deel-dossier PIR omvat in de laatste update . Dat is slechts 1.316 MWp, en ligt dus op een ruim 200 MWp lager niveau dan KMt, bijna 14% lager. Vandaar dat het steeds "zorgwekkender" wordt, om bij analyses van de Nederlandse PV markt uitsluitend van dat PIR register uit te gaan: je mist gewoon een omvangrijk, reeds gerealiseerd markt volume (een omvang van grofweg 804.000 modules van 260 Wp)!


(3) Gemiddelde PV systeemgrootte per gemeente in KMt "totaal register Klimaatmonitor" - 15 best performers 2015

Deze grafiek toont het systeemgemiddelde per gemeente, zoals bepaald uit de datasets "opgesteld PV-vermogen in de gemeente", en "aantal adressen / locaties met PV in de gemeente" (Y as in kWp). Er zijn byzondere evolutie patronen zichtbaar in deze grafiek. De enorme "pieken" ontstaan doordat in relatief kleine gemeentes (of: in gemeentes met sowieso weinig opgestelde installaties) er "opeens" in een jaar tijd een (of "een paar") relatief (zeer) grote PV projecten worden geplaatst. Dat voegt dan maar een (of een paar) installaties toe, maar een voor die gemeente bovenmatig groot volume (in kWp). Dat drijft in dat jaar het systeemgemiddeld van het totaal zeer sterk omhoog. Een zeer bekend voorbeeld, al eerder meermalen over gerept op Polder PV, is Venco Campus in gemeente Eersel (NB), wat in 2012 werd opgeleverd met een hoge capaciteit van dik 1,6 MWp. Het lijkt er echter op dat dit project in de Klimaatmonitor annalen zelfs "een jaar eerder" is ingeboekt. In ieder geval had het een enorme invloed, te zien aan de hoge piek in de groene lijn. Er is beslist géén ander mij bekend zeer groot project in Eersel in die tijd die die enorme piek heeft kunnen veroorzaken.

Als er ná zo'n "relatief unieke" gebeurtenis in bijvoorbeeld een relatief klein dorp als Eersel een tijd lang niets of bijna niets geschied op het gebied van "grote" PV projecten, zal, door verdergaande gestage uitbouw in met name de residentiële sector, het aantal projecten nog steeds toenemen. Daarnaast zal het geaccumuleerde vermogen, met de toevoegingen van, pak hem beet, tussen de 2 en 4 kWp per woning, ook stapsgewijs, maar op een laag niveau groter worden. Dat betekent, dat de in een jaar getoonde, plotselinge capaciteits-toename (door toevoeging van bijvoorbeeld maar 1 zeer groot project) stapsgewijs al snel "verwatert" binnen de rest van de (toenemende) capaciteit in de gemeente. Ergo: dit soort pieken verdwijnen ook weer, het gemeentelijke gemiddelde valt alweer relatief snel terug naar een niveau wat veel lager, maar wel boven het normale, "historische gemiddelde" ligt.

Hoge piek - op verkeerde plek
Dat er kennelijk nogal wat aan gerotzooid wordt met "het jaar van oplevering" (een zeer belangrijk criterium voor het opstellen van kalenderjaar statistieken !!!), toont de hoogste piek in deze grafiek. Die is voor gemeente Ameland, en valt ... in het jaar 2014. Dat kán helemaal niet. Afgezien van het eind 2015 opgeleverde 6 MWp project op vliegveld Ballum, is er beslist géén andere zeer grote installatie een jaar eerder opgeleverd op dit mooie Waddeneiland. Dit dient meteen ook als waarschuwing, dat we helaas weer de nodige korrels zout tot ons moeten nemen als het over toegevoegde "grote projecten" gaat. Want die zouden binnen de Klimaatmonitor (met als belangrijkste bron: PIR register) database dus best wel eens in een verkeerd "opleveringsjaar" kunnen zijn opgevoerd. Dat lijkt hier zeer duidelijk het geval. Wel is natuurlijk het enorme effect kristalhelder, van het toevoegen van slechts één zo'n groot project binnen een gemeente wat daarvoor een ver onder het gemiddelde (zwarte stippellijn) liggende gemiddelde systeem capaciteit vertoonde: 2,7 kWp in 2013 (totaal vermogen in dat jaar: slechts 217 kWp, 79 installaties). Wat opeens dik 55 kWp "systeem gemiddelde" werd in het (voor het Zonnepark het verkeerd als opleverings-jaar genoteerde) jaar 2014. Het geaccumuleerde vermogen ging in 2014 in de KMt cijfers in een keer naar 6,4 MWp, bij 116 installaties totaal. Omdat er daarna blijkbaar nauwelijks projecten cq. capaciteit is bijgekomen op Ameland (althans: volgens de registers !), een toename van slechts 18 projecten die slechts 103 kWp extra toevoegden, zakte het systeemgemiddelde in 2015 terug naar een (nog steeds natuurlijk zeer hoge) omvang van bijna 49 kWp.

Nagekomen: Er is door Rijkswaterstaat een mogelijke verklaring aangedragen voor de opgetreden (flinke) verschuivingen van de "pieken" in bovenstaande grafiek, vermoedelijk vanwege een foutieve wijze van verwerken van de door RVO aangeleverde data. Voor uitleg, zie het vervolg artikel !

Ook voor gemeente Neerijnen (Gld) kan ik niet anders concluderen dan dat er een - ditmaal zeer aanzienlijke - ingave fout is gemaakt voor de oplever datum van een wederom zeer groot project. En dat is Plospan in Waardenburg (gemeente Neerijnen). Met een capaciteit van 2,4 MWp (momenteel derde grote project in Nederland) werd dat pas in 2015 gebouwd, en zelfs pas op 4 januari 2016 aan het net gekoppeld. Het moet dus statistisch bezien aan 2016 worden toegerekend, maar het lijkt er zeer sterk op dat die oplevering binnen de KMt cijfers aan het jaar 2013 is toegewezen! Mij is geen ander groot project in Neerijnen bekend, wat zo'n hoge piek veroorzaakt kan hebben bij het systeemgemiddelde. Ook hier trouwens weer het "afvlakken" van die piek, doordat in de 2 opvolgende jaren een "normalere" groei heeft plaatsgevonden, zonder hele grote, hoge invloed hebbende projecten. Het probleem is hier, dat die "piek" eigenlijk drie jaar opgeschoven moet worden, naar rechts in de grafiek...

Bij de minder "verdachte", geen 6 MWp zonneparken bezittende overige gemeentes steekt er eentje uit, en dat is het Limburgse Nederweert. Die is beslist "onverdacht", omdat het een relatief dun bevolkte gemeente is, waarvoor ik echter diverse "forse" PV projecten op grote boerderij daken in mijn projecten sheet heb staan. Die trekken het systeem gemiddelde in zo'n gemeente natuurlijk flink omhoog. Momenteel, met het meest recente KMt cijfer voor 2015, tot een niveau van een respectabele ruim 20 kWp (gemiddeld over álle projecten in die gemeente: ongeveer 80 moderne PV modules). Net boven het Brabantse Someren, waarvoor ik ook enkele grotere PV projecten op agrarische daken heb genoteerd (systeem gemiddelde in de hele gemeente iets lager dan 20 kWp). Noordoostpolder, ook met veel (middel)grote agrarische installaties, en natuurlijk daar bovenop de nodige deel-gemeentes met veel residentiële capaciteit, volgt op gepaste afstand met bijna 18 kWp op de "gemiddelde" teller.

Wederom zijn er bij de overige "top 15" gemeentes verschillende trends zichtbaar, die sterk worden beïnvloed door de toevoeging van "slechts enkele" grote PV projecten per gemeente in een bepaald jaar. Globaal genomen nemen, met horten en stoten, de gemiddelde systeemgroottes per gemeente wel toe, wat natuurlijk alles met de marktomstandigheden, succesvolle SDE, EIA e.d. voor grote projecten heeft te maken. De meeste gemeentes in de top 15 laten die trend ook zien. Maar uiteraard zijn er ook andere, die vooral in eerdere jaren "enkele grotere projecten" hebben gekend, maar daarna niet meer, of in mindere mate. Zo'n gemeente is Tubbergen in Overijssel, die vooral in eerdere SDE regelingen wat grote PV projecten zag komen. Maar daarna nauwelijks meer. Van pieken tussen de 15 en 20 kWp gemiddeld per installatie, zakte dat in 2015 terug naar een niveau van zo'n 10 kWp, ook omdat de residentiële markt nog steeds zeer goed bleef groeien (die "verwatert" hoge gemiddelde systeem capaciteit binnen een gemeente). Ook dat kan natuurlijk weer wijzigen. De grote projecten kunnen vrij plotseling overal in het land verschijnen, en daar "een tijdelijke piek" in dit soort curves gaan veroorzaken. Alleen wanneer er structureel "zeer veel grote projecten" continu gestimuleerd zouden (kunnen) worden, zou de ontwikkeling van de curves in deze grafiek "gladder", zo u wilt, minder abrupt, kunnen verlopen. Maar dat zie ik niet echt gebeuren. Daarvoor zijn de "stimulerings-condities" in ons land veel te (politiek) gevoelig, en de mogelijkheden om jarenlang op zeer hoog niveau met grote projecten "uit te pakken" te lastig in ons kleine, overbevolkte, en "over-geclaimde" landje. Uiteraard zie ik dat graag veranderen.

Het landelijke project gemiddelde voor het KMt totaal dossier (zwarte stippellijn) is in ieder geval in al die jaren gestegen, van 1,3 kWp in 2008 tot bijna 5 kWp in 2015. De lichte "dip" t.o.v. 2014 kan artificieel zijn. Het kan bijvoorbeeld best zijn dat nog veel al fysiek gerealiseerde grote PV projecten nog helemaal niet zijn opgenomen in het PIR, of enig ander register binnen de KMt database. Als dat zo blijkt te zijn, zou het systeemgemiddelde voor 2015 best nog wel wat hoger kunnen worden. Dat moeten we echter afwachten.


(4) Andere gemeente ratings in Klimaatmonitor "totaal" register KMt

Natuurlijk kun je bij het bekijken van "lijstjes" ook andere criteria hanteren om gemeentes in te delen naar "prestatie bij het plaatsen van PV modules". Elk criterium levert weer nieuwe "top" kandidaten op, zoals ik in het verleden meermaals heb laten zien met ouder cijfermateriaal (hier, hier en hier voor gemeentes, hier op provinciaal niveau). Zonnestroom is breed te implementeren, en het hangt helemaal van de fysische, politieke, sociale, en economische lokale condities af, hoe sterk gemeentes (kunnen) scoren op de diverse punten. Zonnestroom kent feitelijk alleen maar winnaars, een tweet met een prachtig uit Klimaatmonitor geëxtraheerd kaartje daarover is een van de meest populaire in mijn Twitter carrière geweest. Uit het huidige KMt register heb ik voor u daarom nog eens vier lijstjes gemaakt. Zodat meerdere gemeentes zich "op de borst mogen kloppen dat ze het zo goed hebben gedaan op het populaire onderwerp zonne-energie". Maar nogmaals: met zonnestroom is eigenlijk iedereen kampioen. Enjoy, en neem tot slot ook nog het laatste kaartje onderaan dit artikel tot u om nog even na te genieten...

Beste 15 gemeentes bij criterium "meeste PV vermogen per inwoner" (KMt, 2015, inwoner aantal opgave begin van 2015)*

Ook al lijkt de "oplever datum" voor zonnepark Ameland bij KMt minimaal een jaar te vroeg te zijn ingegeven (zie eerder in dit artikel), het park is wel eind 2015 aan het net gekoppeld, en "mag" meetellen voor dat jaar. Dat maakt, zoals al lang door mij voorspeld, dat Ameland ongrijpbaar kampioen is - en lang zal blijven - als je het totale PV vermogen in die eiland gemeente terug rekent naar het aantal inwoners. Maar liefst 1,8 kWp gemiddeld per inwoner levert dat "ene zonneparkje" op, bijna 3 maal de 720 Wp die het Limburgse Nederweert nu heeft staan per hoofd van de bevolking. Die weer wat afstand heeft genomen tot de gemeente die in "absolute" zin het meeste PV capaciteit binnen de grenzen heeft staan (in KMt en in KM-PIR), Noordoostpolder (536 Wp/inwoner). Het zal u niet verbazen, gezien het succes van de "Waardevermeerdering" subsidie voor diverse dorpen met weinig inwoners in door gas-aardbevingen geplaagd Groningen, dat er verderop in dit lijstje maar liefst 5 van die gemeentes binnen de top 15 opduiken. Het gemeentelijke gemiddelde voor Nederland heb ik telkens onderaan deze tabellen weergegeven, voor vermogen per inwoner is dat 126 Wp (zeg maar globaal een half modern PV module per hoofd van de bevolking).

* Tabel 27 juli 2016 vervangen. Er zat in de oorspronkelijke versie een rekenfout in het gemiddelde voor Nederland (onderaan). Feiten: Totale bevolking eind 2015 volgens CBS 16.980.049 inwoners; totaal vermogen voor eind 2015 in KMt update van 18 april 2016, voor heel NL: 1.525.034,45 kWp. Hieruit resulteert een gemiddeld opgesteld vermogen (in KMt) van 90 Wp/inwoner in die laatste versie van het data portal (er staat meer vermogen, maar onbekend is hoeveel). Met dank aan de altijd scherp oplettende Greenwatts (Tweet)!

Beste 15 gemeentes bij criterium "meeste PV vermogen per 1.000 woningen" (KMt, 2015)

Oppervlakkig bezien, lijkt dit lijstje op het vorige, maar nu wordt het vermogen per gemeente terug gerekend naar het aantal woningen binnen de gemeentegrenzen (per 1.000). De volgorde in de top drie is hetzelfde, de verhoudingen echter minder extreem. Nederweert zit nu ruim een factor 2 lager dan gemeente Ameland (1,7 t.o.v. 3,9 MWp per 1.000 woningen). Ook de plaatsen 4 en 5 zijn hetzelfde als in het eerste lijstje, daarna komen andere namen en volgordes naar boven drijven. De onderste twee posities zijn voor twee gemeentes die niet in het eerder afgebeelde lijstje staan: Neerijnen (Gld. - reden: Plospan project Waardenburg in die gemeente), resp. Olst-Wijhe (Ov.). Die plekken gingen ten koste van Borger-Odoorn en Eersel in voornoemd eerste lijstje. Het gemiddelde in alle 393 Nederlandse gemeentes is momenteel (eind 2015) 293 kWp PV vermogen per 1.000 woningen per gemeente.

Beste 15 gemeentes bij criterium "meeste aantal PV-adressen per 100 woningen" (KMt, 2015)

Dit is een "rating" waarin vooral gemeentes met hoge residentiële "activiteit" (veel adressen met PV modules, het hoeven er zelfs niet veel per woning te zijn) hoog scoren. Het zal u waarschijnlijk niet verbazen: de extreem succesvolle Waardevermeerdering (WV) subsidie in 11 Groningse gemeentes, die grotendeels door particuliere woningbezitters in het getroffen gebied wordt geclaimd, doet zich hier volop gelden. De eerste 6 plaatsen worden door "WV" gemeentes uit die provincie geclaimd, waarbij verderop nog eens 2 exemplaren voorkomen: 8 van de eerste 15 gemeentes in dit lijstje vallen onder dat kleine gebied! Kampioen is het ten noord-oosten van de provinciale Groningse hoofdstad gelegen Ten Boer (bijna 22 adressen met PV modules per 100 woningen, meer dan een-vijfde!), rap gevolgd door "gasbevingsgebied - naamgever" Slochteren (ruim 21 adressen) en Loppersum (ruim 20 adressen met PV modules per 100 woningen). Bedum, Winsum, Eemsmond, en verderop in de top 15 ook nog Delfzijl en Appingedam: allemaal "WV" gemeentes die zich in dit lijstje heftig doen gelden. Verder is provincie Noord-Holland goed vertegenwoordigd met drie gemeentes (Texel, van Stad van de Zon bekend Heerhugowaard, en Opmeer), Overijssel heeft er 2 in dit lijstje (Olst-Wijhe en Dalfsen). Het Nederandse gemiddelde in het KMt bestand is eind 2015 voorlopig bijna 6 adressen met PV modules per 100 woningen. Dat is bijna een factor vier lager dan kampioen Ten Boer.

Beste 15 gemeentes bij criterium "meeste PV vermogen per hectare (Wp)" (KMt, 2015, data oppervlakte per gemeente exclusief buitenwater gebied zijn van 2010)

Tot slot een heel ander criterium: wat is het binnen een gemeente opgestelde vermogen gerelateerd aan haar oppervlakte? Hier gaan gemeentes met grote oppervlaktes landbouw areaal natuurlijk het onderspit delven, juist gemeentes met een actieve rol in het bezetten van de beperkte ruimte in een stedelijke omgeving komen nu bovendrijven.

En dus krijgen we weer compleet andere namen te zien. Bovenaan staat, mogelijk verrassend (voor wie de historie niet kent) Veenendaal (prov. Utrecht), die dik 2 kWp per hectare gemeentegrond laat zien in het KMt register. Zwolle, weliswaar een "redelijk landelijke", maar op PV gebied altijd actieve gemeente (met ook veel lokale, stedelijke activiteit), volgt met bijna 1,9 kWp per ha, op de voet gevolgd door het Limburgse Landgraaf (1,8 kWp). Verderop krijgen we ook compleet "nieuwe" namen te zien, meestal steden. En Polder PV glimt best wel een beetje "trots" dat "zijn" gemeente Leiden op de 11e plaats in dit lijstje prijkt. Al ligt dat niet zozeer aan al te aggressief beleid van de gemeente, maar "gewoon" aan de bewoners zelf. Niet vergeten, dat Leiden nauwelijks meer ruimte heeft om woningen te bouwen binnen de gemeente grenzen, de ruimte is al zo goed als "vol", dus er kan alleen maar PV aangelegd worden op bestaande bouw, of op de schaarse nieuwbouw/vervanging locaties. Het Nederlandse gemiddelde is slechts 534 Wp per hectare gemeente grond. Dat is minder dan een factor 4 t.o.v. deze ratio bij kampioen Veenendaal.


(5) Kaartje met verdeling PV capaciteit per inwoner per gemeente, KMt 2015 register

Tot slot nog een leuk, nieuw kaartje, met daarin op basis van het fors gegroeide KMt totaal dossier van Klimaatmonitor, de verdeling van de PV-capaciteit per inwoner, over de 393 Nederlandse gemeentes. Van weinig (rood) tot "relatief veel" (zwart), via paarse en blauwe tinten.


Kleurpalet en segmentatie: selectie door Polder PV

De hele Randstad, en ook andere stedelijke agglomeraties, zoals in oost Overijssel, Maastricht, de steden in Noord-Brabant, én gemeentes met omvangrijke natuurgebieden (Veluwe) gloeien rood tot rose op bij de hoeveelheid PV vermogen per inwoner, en dat is logisch. Het is nu eenmaal moeilijk om in dichtbevolkte, stedelijke gebieden zeer hoog te scoren op dit criterium. Juist in dunbevolkte gebieden cq. gemeentes is die ratio hoog (paarse en donkerblauwe tinten), zeker als er ook nog lokale, en/of regionale incentives bovenop de nationale prikkels zijn gestapeld. Of als er bijvoorbeeld een sector is, die elkaar aansteekt, zoals in hoge mate is geschied bij de agrariërs in de Noordoostpolder (NOP, Nota Bene, exclusief "enclave Urk"...). Ameland, met haar ene (!) 6 MWp project is natuurlijk een complete "outlier", maar het telt uiteraard voor de statistieken: het eiland is net als "NOP" diep zwart gekleurd met de kleurschaal die ik heb gekozen (zwart bij gemiddeld vermogen per inwoner in de gemeente groter of gelijk dan 500 Wp). Als er in een vergelijkbare, relatief dun bevolkte gemeente ook een groot PV park wordt aangelegd, zoals in Delfzijl (30 MWp SunPort gepland), kan die ook qua kleur omslaan naar zwart in toekomstige, vergelijkbare plaatjes. De enige andere "zwarte" gemeente in de huidige "rating" is Nederweert, waar diverse intensieve veehouderijen enorme daken vol zonnepanelen hebben laten leggen. Wat ook daar het gemiddelde vermogen per inwoner flink omhoog heeft geschroefd.

Ook hoge concentraties bij dit criterium in de "Waardevermeerdering" subsidie gemeentes ten noorden en oosten van Groningen, waarbij de dichtbevolkte provincie hoofdstad uiteraard "fel" rood, als een tropisch eiland in een blauwe zee, afsteekt. Verder zijn er hoge concentraties in Drenthe, Overijssel, Flevoland, Wieringermeer, en verspreide gemeentes in met name oostelijk Noord Brabant en Noord Limburg. Noord Beveland in Zeeland, en Neerijnen in het hart van Nederland (Plospan) zitten ook relatief hoog op deze index (318 resp. 295 Wp/inwoner). Deze hoge ratings hebben, behalve in de Groningse "Waardevermeerderings-gemeentes" (grotendeels zeer veel nieuwe residentiële capaciteit) verder bijna overal een zwaar agrarisch stempel. Waarbij slechts relatief weinig boerderijen met veel vermogen op de daken zijn gerealiseerd. Of er zijn grote - meestal - industriële daken op industrieterreinen bij betrokken.

http://www.klimaatmonitor.databank.nl/Jive/ (databank Rijkswaterstaat)

Reactie uit "het veld":

Plushuis op Twitter: "Graag collectief applaus voor dit monnikenwerk van onze bigdatatijger"


 
^
TOP

18 april 2016 15h25: Wederom surprise bij Klimaatmonitor update - > 1,5 GWp PV capaciteit eind 2015? + blooper TenneT (onderaan toegevoegd). Ik had hem in het vorige artikel al aangekondigd. De update van het "geïntegreerde" dossier van Klimaatmonitor is inmiddels beschikbaar. Wederom zijn er weer statistische verrassingen te zien. Dit dossier heeft wat het opgestelde PV vermogen betreft, historisch bezien uniek, CBS gepasseerd voor het eindcijfer van 2014 (6% meer capaciteit). En komt met deze eerste grote update op dik anderhalve GWp uit voor eind 2015. Het aantal (geregistreerde) PV installaties zou zijn opgelopen tot ver over de 336.000 systemen. Polder PV licht de ontwikkelingen toe, geeft de nieuwe progressie grafieken, en bespreekt de statistische problemen.

In mijn al jaren bijgehouden progressie grafieken van verschillende datasets ontbrak tot nog toe een recente update van het "verzamel dossier" van Klimaatmonitor, KMt. Wat inmiddels zo'n 9 deel dossiers bevat, waarvan het PIR het grootste is (KM-PIR). Ik heb net twee uitgebreide updates over de laatste KM-PIR gepubliceerd, met o.a. diverse details over de impact bij de gemeentes, en voor de gemeente ratings en een nieuwe "jaarprognose" voor 2015. Daar bovenop is een zeer belangrijke, kersverse update voor het hoge impact hebbende SDE dossier gekomen, waar ik net een analyse aan heb gewijd in het laatst verschenen artikel.

Al deze wijzigingen moesten geïntegreerd worden in het "grote KMt" dossier, en dat is vanochtend geschied. De meest recente cijfers zijn toegevoegd, maar ook zijn cijfers voor eerdere jaren, zoals gebruikelijk, ook aangepast. Soms zelfs fors. Een grote complicatie bij deze integratie, is dat er niet meer "fijn" op PC6 ontdubbeld kan worden vanwege gewijzigde wetgeving. Die "ontdubbeling" vindt nu op een veel grover (kunstmatig) "buurt" niveau plaats. Mijn contactpersoon bij Klimaatmonitor eigenaar Rijkswaterstaat claimt, dat vanwege deze gedwongen handelswijze, veel aldus "verborgen" projecten niet gezien kunnen worden in die "ontdubbelings-operatie", en dat het eind resultaat dan ook een onderschatting van de realiteit zal opleveren. Ergo, de resulterende cijfers, voor de geaccumuleerde vermogens, én voor het aantal uit de ontdubbelings-operatie volgende aantal PV installaties, zullen een minimum blijken te zijn. Desondanks, zijn de nieuwe cijfers binnen het geïntegreerde KMt dossier beslist al ronduit spectaculair te noemen.

Ik laat dat zien aan de hand van de twee bekende grafieken, voor de aantallen installaties, en voor het geaccumuleerde vermogen.

Aantallen installaties in KMt en KM-PIR

In paars de curve voor het Productie Installatie Register (PIR), zoals in de laatste update van de data die Netbeheer Nederland naar Rijkswaterstaat heeft verstuurd. Het aantal geaccumuleerde PV installaties komt in dat grote deelbestand neer op 304.068, eind 2015. In geel de nu volledig vernieuwde curve voor het geïntegreerde KMt dossier, waarin 9 deeldossiers zijn "ontdubbeld op buurtniveau". De accumulatie voor eind 2015 komt in dat geïntegreerde dossier op al 336.356 installaties, dik 32.000 stuks meer (11% t.o.v. resultaat KM-PIR). Er blijft dus een fors "gat" tussen deze twee (deel- resp. hoofd-) dossiers. Afgaand op de bijgestelde cijfers voor 2014 (de update van 21 sep. 2015 meldde voor dat jaar nog 245.655 installaties, 2.210 stuks minder), zouden er in 2015 bijna 88.500 PV installaties in het "geïntegreerde" dossier zijn bijgekomen in Nederland. Dat is een record groei, het vorige record zou, met de bijgestelde historische cijfers, in 2013 zijn geweest (jaar met maximale afzet van residentiële installaties met nationale PV subsidie), toen er 77.230 installaties bijgekomen zouden zijn. In 2015 zou die groei bijna 15% hoger hebben gelegen volgens deze nieuwe cijfers.

En dat is nog steeds niet alles, zoals uit de inleidende opmerkingen van mij duidelijk wordt: als het nieuwe cijfer voor KMt bij benadering blijkt te kloppen, is het beslist niet onmogelijk dat er nóg meer dan genoemde ruim 336 duizend PV adressen zijn. Ik heb eerder o.a. in een tweet al opgemerkt, dat we eind 2015 al richting de 350.000 PV installaties kunnen zijn gegaan, zeker als deze nieuwste cijfers in de buurt van "de statistische waarheid" blijken te liggen...

PV vermogen in KMt, KM-PIR, en bij CBS

Voor de vermogens-grafiek zijn drie belangrijke reeksen beschikbaar. De "oude" van CBS (slechts nog beschikbaar tot en met 2014, maar internationaal als "de" statistiek voor Nederland geldend). De bijgestelde voor het PIR register, zoals dat na een lichte aanpassing bij Klimaatmonitor is geland (KM-PIR). En, de nieuwste toevoeging, een forse update van KMt, het "totaaldossier" bij Rijkswaterstaat, waarin alle beschikbare deel-dossiers op buurtniveau zijn "ontdubbeld".

Direct valt al op, dat de Klimaatmonitor KMt curve, mede door de historische correcties (voor o.a. 2013 en 2014), uniek in de Nederlandse statistiek geschiedenis, de curve voor CBS is gaan kruisen, en dus sinds 2014 bóven de (internationaal geaccepteerde) CBS cijfers is komen te liggen! Voor eind 2014 heeft KMt nu, t.o.v. de update van 21 september 2015 (974 MWp eind 2014) maar liefst 138 MWp bijgeboekt gekregen, en eindigde dat jaar op een spectaculaire 1.112 MWp (!). Dat is maar liefst 6,1% boven het naar boven bijgestelde volume van 1.048 MWp wat CBS in december vorig jaar publiceerde... Voor eind 2015 heeft KMt nu zelfs een vermogen van 1.525 MWp staan, waar het PIR (deel-)register nog maar 1.316 MWp heeft kunnen verzamelen. Dat is een spectaculair verschil van maar liefst 209 MWp, 16% hoger dan het volume in PIR!

Systeem gemiddelde
Met bovenstaande voorlopige cijfers voor 2015, lijkt het gemiddelde systeemvermogen van de installaties vermeld in het totaal-dossier van Klimaatmonitor te zijn beland op 4,5 kWp. Dat is nog steeds erg laag, wat aangeeft dat, zelfs met een sterk opkomende grote projecten markt, het totale opgestelde vermogen nog steeds veruit gedomineerd blijft worden door kleine, residentiële installaties. Eind 2012 was dat systeem gemiddelde niet eens zo heel veel lager, 3,3 kWp (rekenend met de nieuwe "historische" cijfers voor KMt). Alleen als de projecten markt langdurig zeer hoge groeicijfers zal laten zien, zal het gemiddelde systeem vermogen merkbaar omhoog gaan klimmen. Als je naar de jaargroei cijfers kijkt van de nieuwe KMt update, zie je in recente jaren beslist hogere gemiddeldes bij de nieuwe jaar volumes, tot zelfs 6,1 kWp in 2011 (belangrijk SDE implementatie jaar met veel grotere projecten, bij "relatief matige" groei residentiële markt). Maar dat is alweer terug gezakt naar 4,7 kWp in het - voorlopig - nieuwe jaarvolume voor 2015: de residentiële markt groei blijft dat systeemgemiddelde voor alle projecten bij elkaar relatief laag houden.

Nog meer?
Met de eerder geuite claim, dat de nieuwe cijfers minimum getallen zouden moeten zijn, weet u dat het werkelijke volume nog hoger zou kunnen liggen. Als alle onderliggende aannames correct zijn, en er geen dramatische "vervuiling" van, met name het PIR dossier heeft plaatsgevonden. Sowieso heeft het KMt nog steeds niet alle dossiers en alle PV installaties in zich. EIA en de andere "belasting constructie" regelingen ontbreken, en die kunnen een forse hoeveelheid capaciteit bevatten (veel gebruikt in de agrarische sector!). Wat beslist niet voor de volle 100 procent in "andere" dossiers hoeft te zitten (zoals PIR). Bovendien zijn er altijd PV systemen geweest die buiten alle "dossiers" vallen. Ergo: KMt is zelfs nog niet eens "het laatste woord" op het gebied van verzamelde PV installaties. Er staat in Nederland méér, dan in KMt...

De realiteit gebiedt me verder (wederom) te zeggen, dat ik beslist af en toe hoogst curieuze data entries tegenkom in (op buurtniveau gesegmenteerde) PIR lijsten. Maar ik heb diverse van "hoogst onwaarschijnlijke, veel te hoge" entries al gemeld bij Netbeheer Nederland, en hoop dat die daadwerkelijk al uit de data verzameling zijn gesloopt, voordat deze naar Rijkswaterstaat is verstuurd. Aan de andere kant, ik weet absoluut zeker, en heb daar ook regelmatig bewijzen voor gevonden, dat er ook veel capaciteit van grote projecten in het PIR register ontbreekt. Wat inhoudt, dat het sowieso (ook) een zware onderschatting van de werkelijke capaciteit kan weergeven. Alles wikkend en wegend, lijkt het me waarschijnlijker, dat de "hoge getallen" zoals nu weergegeven in het geïntegreerde KMt dossier logischer zullen zijn dan de (veel te) "lage" getallen in (alleen) PIR. En dat we dus voorlopig uit zullen moeten gaan van de net gepubliceerde KMt cijfers. Wat betekent dat we eind 2015 daadwerkelijk al (ruim) anderhalve GWp aan zonnestroom capaciteit moeten hebben gehad in ons land. Waardoor mijn eerdere speculatieve prognose, zoals ook in het nieuwe Solar Trendrapport zal verschijnen, die grofweg 1,5 GWp voor eind 2015 "claimt" alsnog zou doen uitkomen. Ook, met terugwerkende kracht, lijkt met deze nieuwste - ook historisch bijgestelde - cijfers, mijn prognose van 1,1 GWp voor eind 2014 (vorige Solar Trend Rapport, zie ook correctie) bepaald niet vreemd te zijn geweest.

Statistische problemen blijven
Er blijven nog meer dan genoeg "problemen" over met deze nieuwe cijfers. Het KMt register loopt nu maar liefst dik 200 MWp voor op het PIR register van de netbeheerders. Het CBS cijfer voor 2014 loopt nu achter op KMt. Hoe komt die "bevinding" daar over, en wat gebeurt er dan met de internationale statistieken (die van de officieel gepubliceerde CBS cijfers uitgaan)? Als we de KMt cijfers nu als "waar" aanvaarden, zou de marktgroei in 2014 nu opeens 409 MWp zijn geweest, terwijl CBS zelf uitging van een groei van slechts "300 MW". Dat is een zeer aanzienlijk verschil, wat slecht verklaard kan worden door "beperkte" statistische onzuiverheden. Dat moet echt ergens anders aan liggen, en structurele oorzaken hebben. Als we van dezelfde KMt cijfers zouden uitgaan, zou dat nu resulteren in een groei van "slechts" 413 MWp in 2015, ongeveer even hoog als in 2014. Iedereen lijkt het er echter over eens, dat de marktgroei vorig jaar beslist (fors) hoger geweest zou zijn dan in 2014. Er zit dus ook daar echt een structureel probleem.

Kan er op detailniveau nu eens door de instanties (CBS, Rijkswaterstaat, eventueel RVO) zeer kritisch naar de PIR registraties gekeken worden, om te kijken of daar nog (veel) grote fouten in zitten? Moet het hele registratie systeem niet anders worden opgezet, gezien het feit dat de verschillen tussen de dossiers zo enorm groot blijken te worden? Waardoor de PV markt, de netbeheerders, en de Staat der Nederlanden helemaal niet meer weten waar ze aan toe zijn? Wat is, bijvoorbeeld, het veronderstelde "marktaandeel" van een willekeurige grote PV groothandel nog waard, als je niet eens zeker weet wat de "echte" getallen zijn?

We hopen natuurlijk op meer helderheid. Vooral de aankomende update van het CBS (voorjaar 2016), met het eerste cijfer voor 2015, zal hopelijk een nieuw "statistisch baken" worden waar we ons aan vast kunnen klampen. Of dat cijfer gaat alweer de nodige "ophef in de PV statistieken" veroorzaken. Dat kan natuurlijk ook. We hebben al vele voorbeelden gehad van cijfermatige "correcties".


Blooper Tennet (toegevoegd)
In het jaarlijks verschijnende Market Review van de Nederlandse hoogspanningsnetbeheerder, die ook het grootste hoogspanningsnet van Duitsland (voormalig E.ON net, Ost-Friesland en lange strook midden Duitsland, van Waddenkust / Denemarken
tm. de grens met Oostenrijk) in bezit heeft, staat een uitermate curieuze mededeling met vermeende cijfers over de Nederlandse PV markt. Op pagina 17 van die in het Engels geschreven rapportage meldt TenneT:

"Also in the Netherlands, the installed capacity of wind and solar increased in 2015. As in 2014, the installed capacity of solar panels grew by 350 MW, surpassing a total of 1 GW at the end of 2015."

Hierin suggereert onze wereldvermaarde hoogspanningsnetbeheerder dus doodleuk dat er "maar 350 MW[p]" aan PV capaciteit zou zijn bijgekomen in 2015, terwijl de nieuwste cijfers hetzij minimaal 450 MWp (gebaseerd op CBS extrapolatie door Polder PV) suggereren, hetzij dik 400 MWp (volgend uit data van de Klimaatmonitor KMt update, hierboven beschreven), beiden extreem tot substantieel hoger. Veel erger nog is natuurlijk de suggestie van TenneT, dat "pas eind 2015 in Nederland 1 GWp geaccumuleerd vermogen" zou zijn bereikt. Dat is - volgens het CBS - echter zelfs al laat in de tweede jaarhelft van het kalenderjaar 2014 geschied, en in 2015 lijkt zelfs, gezien bovenstaande KMt update, de anderhalve GWp "horde" reeds te zijn genomen. Dat is 50% hoger dan TenneT kennelijk heeft ingeschat...

Dan weet u nu dus, dat de verwarring over onze nationale PV statistieken tot in de hoogste regionen van onze samenleving is doorgedrongen, en dat er op dit vlak de meest absurde, kakelbonte, en fantastische claims aan het internet worden toevertrouwd...

Wordt vast vervolgd...

... en natuurlijk: een energetische limerick, als toetje ...

http://www.klimaatmonitor.databank.nl/Jive/ (databank Rijkswaterstaat, incl. volledig geïntegreerd, "op buurtniveau ontdubbeld" KMt register voor PV)

Market Review 2015 - Electricity market insights (pdf TenneT, publ. 7 april 2016, enorme blooper over PV market statistiek op pagina 17 van het rapport...)


 
^
TOP

18 april 2016: De meest actuele cijfers over implementatie van PV in de SDE / SDE "+" regelingen (incl. correctie SDE tabel "aantallen", en enkele tekstuele wijzigingen, dd. 12 mei 2016).

In dit artikel worden de meest actuele nationale cijfers voor gesubsidieerde zonnestroom over de 8 lopende SDE regelingen gepresenteerd, op basis van zeer recent door Rijkswaterstaat's Klimaatmonitor geopenbaarde data van RVO (Rijksdienst voor Ondernemend Nederland). De eerder vastgestelde snelle groei van met name het gerealiseerde PV vermogen zette uiteraard door. In totaal is er al ruim 211 MWp aan PV projecten gerealiseerd onder de diverse SDE regimes. Waarbij uiteraard SDE 2014 met stip de grootste capaciteit voor rekening neemt, inmiddels al ruim 97 MWp. Dat is meer dan het dubbele volume van de realisatie van SDE 2013, en 46% van het totaal aan SDE realisaties. Bij de beschikkingen blijft er nog steeds het nodige aan volume wegvallen (ingetrokken, alsnog afgewezen projecten etc.). Met name SDE 2011-2012 is in de loop van de tijd een dramatische hoeveelheid van ruim 65% van het beschikte vermogen kwijt geraakt. De regeling met het hoogste verlies bij de aantallen PV beschikkingen was SDE 2012, met 67% van het - "gelukkig" beperkte - aantal toekenningen. Polder PV laat de laatste stand van zaken zien, segmenteert daarbij naar de deelprestaties bij de provincies, en besluit met een via Klimaatmonitor samengesteld kaartje op gemeente niveau.

Introductie

Op 13 februari jl. heb ik de laatste door RVO gepubliceerde cijfers (peildatum 1 jan. 2016) voor de SDE regelingen geanalyseerd en voor u - ook weer grafisch - op een rijtje gezet. Toen al werd ook "officieel" duidelijk, al veel eerder door mij in talloze beschouwingen gesignaleerd, dat de implementatie van met name de SDE 2014 beschikkingen vol in gang was gezet. Resulterend in een redelijk "explosieve" toename van het gerealiseerde vermogen van alle SDE regelingen bij elkaar. Alleen al SDE 2014 nam toen bij de realisaties 39% (68 MWp) van het totale volume van 176 MWp voor haar rekening, en is daarmee met kop en schouders al relatief vroeg tijdens de implementatie de succesvolste SDE regeling geworden voor PV, wat het nieuw toegevoegde duurzame vermogen betreft.

RVO publiceert helaas sinds 2012 slechts halfjaarlijks nieuwe cijfers over de evolutie van de implementaties van de SDE regelingen, en het zou dus tot juli van dit jaar duren voordat nieuwe data beschikbaar zouden kunnen komen volgens deze publicatie systematiek. Aangezien we in een enorme versnellingsfase zitten, door mij grafisch uitgewerkt op basis van de maandelijkse updates van de registraties bij TenneT dochter CertiQ (laatste maandrapportage maart, zie hier), is het opportuun dat de data stroom sneller actueel beschikbaar komt. Gelukkig is dit nu eenmalig in de databank van Klimaatmonitor gerealiseerd, waarin voorheen, gedurende een lange tijd, de laatste daar gepubliceerde SDE cijfers (verkregen van RVO) hopeloos achter liepen op de realiteit. Er is nu echter een zeer recente, volledige update gepubliceerd met cijfers van 12 april 2016. Die zijn bijna 3 en een halve maand jonger dan de "officieel laatst gepubliceerde data" door RVO zelf. En de nieuwe cijfers laten uiteraard alweer forse groei van met name de SDE 2014 implementaties zien. Die heb ik ten eerste wederom uitgezet in een aangepaste evolutie grafiek voor de gerealiseerde vermogens, waarbij de realisaties bij alle SDE regelingen individueel zijn terug te zien, en de totalen per peildatum zichtbaar zijn gemaakt:

Grafiek met evolutie van het gerealiseerde vermogen van PV projecten met SDE (cq., sinds SDE 2011: SDE "+") subsidie, aangevuld met de meest recente update gepubliceerd door Klimaatmonitor (Rijkswaterstaat, laatste kolom van 12 april 2016). Hierbij wordt kristalhelder, dat de al eerder gesignaleerde forse versnelling bij de implementatie van de SDE 2014 regeling (bijna bovenste segment van kolom van 1 jan. 2016) is gecontinueerd. Er is t.o.v. de update van 1 januari 2016 alweer 29,5 MWp realisaties bij gekomen voor alleen de SDE 2014 regeling. Althans, zoals geregistreerd door RVO. Waarschijnlijk is er reëel al meer opgeleverd, maar is die hoeveelheid nog niet volledig door de administratieve SDE molen heen. Ook is er een lichte groei van de realisaties bij de voorgaande SDE 2013 regeling geweest (5,5 MWp), de toevoegingen bij de oudere regelingen waren marginaal (0,2 MWp bij SDE 2012) tot nihil. De merkwaardige verlaging voor SDE 2011 met 0,1 MWp in de vorige update, is nu weer "gecorrigeerd", voor die regeling is er nu dus weer 18,5 MWp gerealiseerd vermogen bekend. Het totale toegevoegde vermogen sinds de 1 jan. 2016 update was 35,6 MWp. Naast de laatste kolom staan alle gerealiseerde vermogens per SDE regeling vermeld, volgens de stand van zaken op 12 april 2016, de wijzigings-datum vermeld in de Klimaatmonitor databank.

Het totale volume, 211,1 MWp (voor 8 SDE regelingen sedert SDE 2008), in de update van 12 april 2016, is bijna een factor 9 en een half maal zo groot dan het volume gerealiseerd binnen de eerste drie SDE regelingen op 1 juli 2011, toen deze nog grotendeels door realisaties op particulieren woningen en kleine installaties bij bedrijven, organisaties e.d. werden gedomineerd. De verwachting is, dat het vermogen snel zal blijven toenemen vanwege de invulling van de talloze beschikte SDE 2014 projecten. Die per stuk gemiddeld ook zeer groot zijn en die vaak op bedrijfsdaken, daken van gemeentelijk vastgoed e.d. zijn gepland. Met deze laatste cijfers, is het aandeel van SDE 2014 t.o.v. het totaal voor alle 8 SDE regelingen bij de realisaties nu verder geklommen naar 46%.


Beschikt versus gerealiseerd vermogen SDE 2008 tm. SDE 2015

In de volgende grafiek laat ik zien wat het volume (MWp) aan overgebleven beschikkingen voor PV is geweest binnen de nu 8 lopende, deels voor PV al afgeronde SDE regelingen (linker stapel kolom), en de tot nog toe bekende realisaties (rechter kolom), zoals geregistreerd door RVO, en opgenomen in de Klimaatmonitor data verzameling. Daarbij heb ik een segmentatie gemaakt naar provincies. Voor het verschil tussen de overgebleven en de oorspronkelijke beschikte volumes, zie de tabel verderop.

In deze status update van 12 april 2016 in de Klimaatmonitor databank is links goed te zien dat de omvang van de overgebleven SDE beschikkingen (optellend tot meer dan 1 GWp) sterk asynchroon is verdeeld over de provincies. Veruit het meeste vermogen is toegekend voor de provincie Noord Brabant (167 MWp van de tot nog toe overgebleven 1.039 MWp), slechts een zeer gering deel van het beschikte volume ging echter naar de zeer zonnige buur provincie Zeeland (10 MWp). De 2e tot en met 4e posities werden, met ongeveer vergelijkbare volumes, bekleed door de provincies Zuid-Holland (116 MWp), Noord-Holland (114 MWp) en Overijssel (112 MWp). De grote provincie Gelderland bleef met haar 98 MWp behoorlijk ver achter bij Overijssel (14 MWp minder), ook Friesland ging met haar 106 MWp aan PV beschikkingen het grote Gelderland nog voor.

Ook kristalhelder uit deze grafiek wordt de nog fors tegenvallende realisatie van alle SDE regelingen bij elkaar, weergegeven in de rechter stapel kolom. Slechts 211,1 MWp van de (overgebleven) 1.038,6 MWp is tot nog toe gerealiseerd, een "scoringspercentage" van nog maar 20,3%. Dat moet echt veel hoger gaan worden, anders mag de SDE regeling als de zoveelste geflopte subsidie regeling bijgeschreven worden in het al dikke zwartboek van de Nederlandse geschiedenis. Uiteraard gaat er nog heel veel van met name de grotendeels aan de 1 GWp beschikkingen bijdragende SDE 2014 regeling gerealiseerd worden, maar het blijft nog even afwachten hoeveel er ook nog (alsnog) gaat afvallen. Ik houd m'n hart vast als dat een "zeer substantieel volume" gaat worden. Er was oorspronkelijk voor die zeer belangrijke regeling 883 MWp beschikt. Daarvan is er in de laatste update nog maar 872 MWp over: er is dus al 11 MWp zonder meer verdwenen (NB: dat is evenveel volume als wat er oorspronkelijk voor de hele SDE 2015 regeling is toegekend aan zonnestroom vermogen). Dat kan beslist nog veel meer gaan worden.

Gaan we kijken naar de capaciteit in MWp, blijkt tot nog toe in absolute volume van alle provincies Noord Brabant het meeste SDE vermogen te hebben gerealiseerd, 30 MWp. Kijken we echter naar het aandeel van de gerealiseerde vermogens t.o.v. de overgebleven beschikte capaciteit per SDE regeling, is het beeld beslist anders. Binnen SDE 2013-2014 (de twee qua omvang meest significante regelingen), zijn de provincies Overijssel resp. Zeeland tot nog toe het meest succesvol geweest, met resp. 84% (SDE 2013), en 43% (SDE 2014). De langzaamste invuller van het (resterende) beschikte vermogen is in beide regelingen provincie Groningen, die nog maar 30% (SDE 2013), resp. 5% (SDE 2014) heeft gerealiseerd. Het nog niet realiseren van diverse grote beschikte zonneparken binnen deze door aardgasbevingen geplaagde provincie zal hier mede debet aan zijn geweest. Bij de landelijke totalen is de invulling voor het (resterende) beschikte vermogen tot nog toe 49% (SDE 2013, dus zo'n beetje voor de helft "gerealiseerd") resp. 11% (SDE 2014). Vooral dat laatste percentage moet natuurlijk zeer veel groter gaan worden, en een fors deel daarvan zal dit jaar (2016) moeten worden ingevuld, gezien de tijd die voor de realisatie is ingeruimd. En natuurlijk het feit dat talloze kundige bedrijven sowieso hun handen al vol hebben aan het realiseren van honderden projecten.

Als we per provincie naar de realisatie percentages t.o.v. de overgebleven hoeveelheid beschikkingen kijken, is het beeld deels vergelijkbaar, deels anders. Bij SDE 2013-2014 blijkt al 86% voor SDE 2013 ingevuld in provincie Overijssel, voor SDE 2014 is de nu succesvolste provincie Zeeland, met 42%. De slechtste "invuller" tot nog toe is bij die aantallen de provincie Noord Brabant, die nog maar 36% (SDE 2013) resp. 14% (SDE 2014) blijkt te hebben verzilverd. Bij de landelijke totalen liggen de percentages in de laatste update op 60% (SDE 2013), resp. 19% (SDE 2014).

Voor SDE 2015 zijn nog geen zinnige uitspraken te doen, behalve dan dat er nog maar 9,9 MWp beschikt vermogen "over" is t.o.v. de nooit door RVO geopenbaarde, maar door mij berekende 11,1 MWp. En dat daarvan nog maar 319 kWp gerealiseerd is, zoals opgetekend door RVO (bekend in Klimaatmonitor update). Maar dat, zeer vreemd, er nog niets aan "aantallen realisaties" staat vermeld in de Klimaatmonitor SDE cijfers. Dat kan natuurlijk niet, dat moet een data lacune zijn. Bij Polder PV zijn ondertussen in zijn grote PV projecten spreadsheet al 6 SDE 2015 realisaties bekend, waarvan er 5 een gezamenlijk vermogen van bijna 350 kWp hebben (van de zesde is dat nog niet bekend). Wederom blijkt de realisatie al sneller te gaan dan er tot nog toe bij de autoriteiten "openbaar staat geregistreerd".


Segmentatie beschikte PV projecten versus gerealiseerde volumes

Om de verschillen tussen "overgebleven beschikte" volumes aan onder de SDE subsidie regelingen vallende PV installaties en -capaciteit nog beter zichtbaar te maken heb ik per provincie twee grafieken naast elkaar gezet. Links de grafiek met de (overgebleven) beschikte volumes. Rechts van de zwarte streep de tot 12 april 2016 bij RVO bekende gerealiseerde volumes. Om de vergelijking "beschikt versus gerealiseerd" goed te laten uitkomen, zijn de Y-assen van de 2 diagrammen telkens identiek gehouden, ze hebben hetzelfde bereik per "set" diagrammen. Eerst de aantallen PV projecten onder SDE (cumulatie SDE 2008-2015):


KLIK op plaatje voor uitvergroting

Op zich lijkt er al veel van de overgebleven aantallen beschikkingen te zijn gerealiseerd, de "hoogtes" van de kolommen per provincie zijn niet zeer dramatisch verschillend. Al moet er, bij nadere beschouwing, natuurlijk nog wel een hoop projecten worden gerealiseerd, met name voor SDE 2014 (de donkerblauwe kolom segmenten). Er zitten forse volumes aan beschikkingen voor die regeling bij met name de provincies Noord-Brabant, Noord-Holland, Zuid-Holland, Overijssel en Gelderland. Die moeten nog grotendeels worden ingevuld. De oudere regelingen zijn bijna allemaal (bijna) opgeleverd (althans: wat er aan beschikkingen over was, er zijn ook al grote aantallen oorspronkelijk beschikte projecten rücksichtslos overboord gekieperd door RVO).


KLIK op plaatje voor uitvergroting

Bij de beschikte resp. gerealiseerde vermogens (in MWp) is het beeld compleet anders dan bij de aantallen projecten (voorgaande grafiek hierboven). Als we de twee diagrammen in bovenstaand plaatje vergelijken (beschikt "overgebleven" volume links, daadwerkelijk al gerealiseerd rechts), is er een ronduit dramatisch verschil te zien. De kolommen in het rechter diagram zijn véél lager dan de kolommen met (oorspronkelijk) beschikte projecten in het linker diagram! Dat komt wederom bijna uitsluitend door de, wat beschikt vermogen betreffende alles dominerende SDE 2014 regeling (donkerblauw) en, in zeer veel mindere mate, door de nog resterende volumes die uit de SDE 2013 regeling zouden moeten komen (groene kolom segmenten). Alle andere oudere SDE regelingen spelen bij zowel de beschikte volumes, als bij de realisaties van vele MWp-en een totaal ondergeschikte rol, zichtbaar aan de kleine gekleurde kolom segmentjes helemaal onderaan in de diagrammen. Die oudere regelingen zijn grotendeels sowieso al helemaal uitgevoerd - althans, t.o.v. het overgebleven beschikte volume in het linker diagram.

Hier is ook goed zichtbaar, dat Noord-Brabant het grootste volume beschikt vermogen in de SDE 2014 regeling heeft zitten (138 MWp van totaal in SDE "over" bijna 168 MWp). Bij de fysieke realisaties staat het voor wat de SDE 2014 betreft (13,2 MWp) echter achter Flevoland (13,5 MWp SDE 2014 van totaal SDE 22,8 MWp). Wel is het totale SDE gerealiseerde volume in Noord Brabant tot nu toe het grootst van alle provincies (30,4 MWp). Maar er is natuurlijk voor alle provincies nog een lange weg te gaan. Zeeland heeft een opvallend "zeer gering" aandeel in de totale beschikte - en de gerealiseerde - volumes, het lijkt een "dwerg" naast de omvangrijke hoeveelheid beschikte capaciteit van grote broer Noord-Brabant. Terwijl Zeeland wel de zonnigste provincie van ons land is, met veel potentieel...

Let ook op dat de (resterende) beschikte hoeveelheid vermogen voor SDE 2015 (bruin) compleet in het niet valt bij het volume van de voorgaande, zeer succesvolle regeling (SDE 2014). De provincies Utrecht en Noord-Holland hebben in die voorlopig laatste "lopende" SDE regeling waarvan cijfers bekend zijn het meeste (overgebleven) beschikte vermogen (3,1 resp. 3,0 MWp).


Status SDE in cijfers peildatum 12 april 2016

In deze belangrijke sectie worden twee tabellen getoond met per individuele SDE regeling de harde cijfers. De eerste tabel voor de aantallen (oorspronkelijke dan wel overgebleven) PV projecten binnen de SDE regelingen, in de volgende tabel de capaciteiten die daarmee gepaard gaan.

In de tabellen van links naar rechts: naam SDE regeling, het oorspronkelijke aantal (cq. vermogen binnen) beschikkingen, met de daarbij behorende publicatie datum, in de derde grote kolom de actuele status van 12 april 2016, waarbij dus al soms zeer veel beschikkingen (cq. capaciteit) zijn verdwenen. Het 4e blok laat het aantal tm. 12 april 2016 verdwenen beschikkingen (resp. capaciteit) zien in rood, met het percentage verlies ernaast. Het laatste blok is voor de realisaties, met aantal (cq. vermogen) gerealiseerd, de realisatie t.o.v. het laatst bekende volume beschikkingen, resp., in de laatste kolom, het percentage realisatie t.o.v. de oorspronkelijke hoeveelheid beschikkingen cq. vermogen, in blauw weergegeven.

In de onderste helft van de tabellen zijn cumulaties weergegeven voor achtereenvolgens de totale volumes voor alle SDE regelingen van 2008 tm. 2015, idem voor alleen de laatste drie regelingen (SDE 2013-2015), idem voor de eerste twee "SDE +" regelingen (SDE 2011-2012, met omvangrijke verliezen bij de beschikkingen), en tot slot voor de oudste 3 SDE regelingen (SDE 2008-2010), toen burgers individueel (impliciet) nog konden participeren met kleine installaties (vanaf SDE 2011 is minimum projectgrootte 15 kWp, voor de meeste particulieren volstrekt onhaalbaar).

Aantallen beschikkingen en realisaties SDE (correctie SDE 2014, 12 mei 2016)

In de tabel is goed te zien dat voor de eerste SDE "+" regelingen het aantal verloren beschikkingen (rode getallen en percentages) omvangrijk is, tussen de ruim 42% (SDE 2011) tot zelfs 67% (SDE 2012). Ook de eerste SDE regeling (2008) moest een heftig verlies van bijna 42% incasseren. SDE 2014 verloor tot nog toe een bescheiden aantal (25 stuks / 0,8%) van de "overgebleven" beschikkingen. Dat kan beslist veel meer gaan worden. Over SDE 2015 is nog weinig te zeggen, die zit pas in de beginfase van implementatie. Polder PV heeft trouwens al 2x zo veel projecten voor SDE 2015 in realisatie staan als wat nu bij RVO (in Klimaatmonitor database) staat weergegeven. Kijken we naar het oorspronkelijk aantal beschikkingen, 21.259, en de actuele stand van zaken, 13.906 overgebleven exemplaren, zien we dat er maar liefst ruim 7.350 (!) zijn verdwenen in de loop van de tijd. Al dat werk om die beschikkingen "te verkrijgen" is dus voor niets geweest, zowel aan de kant van de projectontwikkelaars (van klein tot groot), als bij de door de Staat (lees: de burgers) betaalde ambtenarij.

Als we kijken naar de realisaties t.o.v. de oorspronkelijk beschikte aantallen projecten in de laatste kolom (percentages in blauw), zien we best wel "dramatische" getallen. De meest "succesvolle" SDE regeling tot nog toe is SDE 2009 geweest, met een scorings-percentage van ruim 67%. SDE 2010 kwam daar dichtbij, met bijna 67%. Verder is de realisatie tot nog toe vrij matig geweest, van een dramatisch slechte 28% bij SDE 2012, tot nog een "min of meer redelijk" (?) niveau rond of nabij de 58% bij SDE 2008 en SDE 2011. Voor SDE 2014-2015 is nog het e.e.a. aan uitval te verwachten, maar het te verwachten niveau is nog niet duidelijk (nog te vroeg in de implementatie geschiedenis). RVO heeft het nooit meer over de invulling van de SDE regelingen t.o.v. die zo belangrijke maatstaf, de oorspronkelijk toegekende volumes. Dat is blijkbaar te pijnlijk om dat aan Den Haag te laten weten. En dus doen ze daar verder het zwijgen toe...

Capaciteit (gepland vermogen) bij beschikkingen en realisaties SDE

Bij de geplande beschikte volumes in MWp, en de realisaties, zijn ook regelmatig vrij rampzalige cijfers te zien. Ten eerste is het totale beschikte vermogen voor alle 8 lopende SDE regelingen terug gevallen van 1,16 GWp naar 1,04 GWp, een verlies van ruim 125 MWp aan "potentiële" nieuwe PV capaciteit. De weggevallen volumes per regeling variëren van 23% (SDE 2009) tot zelfs 71% (SDE 2012 !) t.o.v. de oorspronkelijk beschikte hoeveelheid. De twee eerste SDE "+" regelingen (2011-2012) verloren gezamenlijk al dik 65% van het oorspronkelijke volume...

Bij de realisaties is het een sterk wisselend verhaal. Waren de oude SDE 2009 en SDE 2010 regelingen redelijk succesvol t.o.v. de oorspronkelijk beschikte hoeveelheden (77 resp. 71%, vooral door zeer lucratieve subsidie condities, gecombineerd met al lage (dump)prijzen voor Chinese PV modules, en grotendeels gedragen door slechts 2 uitvoerende bedrijven...), was dat voor SDE 2008 al een stuk lager, 65%. Bij de nieuwere SDE regelingen, waarvan je zou "verwachten" dat ze stimulerender zouden moeten zijn (als je naïef genoeg bent), is de prestatie tot nog toe allerbelabberst slecht, als het om de daadwerkelijk opgeleverde capaciteit gaat. Nog een "relatief dragelijk" volume van 37% voor SDE 2011 (waar verder niets meer aan invulling is van te verwachten), naar nog zeer matige scorings-percentages van 28% (SDE 2012) tot ruim 30% (SDE 2013). Van die laatste twee kan nog wel wat vermogen worden gerealiseerd, gezien de omvang van het resterende beschikte vermogen, maar heel veel zal dat niet gaan worden.

SDE 2014, de meest succesvolle regeling tot nog toe, heeft momenteel 11% van de oorspronkelijk beschikte capaciteit ingevuld, maar is gaandeweg wel al bijna 11 MWp aan beschikkingen kwijtgeraakt. SDE 2015 moet nog echt gaan "uitpakken" (tot nog toe nog maar 2,9% van oorspronkelijk beschikt). Maar gaat natuurlijk geen deuk in het pak boter schoppen, gezien het beperkte (overgebleven) volume van nog geen 10 MWp.

Als we bovenstaande cijfers vergelijken met mijn eigen recente project data, en (totaal) met de laatste update van CertiQ van maart 2016 (dominant volume: SDE), zien we het volgende:

  • Realisatie SDE 2014 vlg. 12 april 2016 Klimaatmonitor update RVO cijfers: 97,1 MWp.
  • Totaal aan (waarschijnlijke) SDE 2014 projecten in grote projecten spreadsheet Polder PV dd. 11 apr. 2016: 95 MWp.
  • Realisatie SDE 2011-2015 ("SDE +") vlg. Klimaatmonitor update: 161 MWp.
  • Totaal SDE "+" in projecten spreadsheet Polder PV dd. 11 apr. 2016: plm. 155 MWp.
  • Realisatie alle 8 SDE regelingen vlg. Klimaatmonitor update: 211,1 MWp.
  • Geaccumuleerd gecertificeerd vermogen CertiQ eind maart 2016: 255 MWp.

Hieruit lijkt te volgen, dat ik al "behoorlijk goed" het totaal aantal aan SDE "+" gesubsidieerde projecten in de smiezen lijk te hebben in mijn projecten overzicht, en dat ik bijna al het bij Klimaatmonitor bekende volume voor SDE 2014 geïdentificeerd lijk te hebben.

Er zit nog wel een "gat" van zo'n 44 MWp tussen de status quo realisaties bij Klimaatmonitor - SDE, en de accumulatie van het gecertificeerde vermogen bij CertiQ in maart. Dat ligt aan minstens 2 zaken. Bij CertiQ is ook nog "niet SDE vermogen" opgenomen, o.a. uit de (langzaam verdwijnende) vorige nationale subsidie regeling, de MEP. Maar ook, waarschijnlijk, een gering volume wat zowel geen MEP als geen SDE subsidie zal blijken te hebben. Hoe groot dat volume is, is echter niet bekend. Ten tweede, er is nog "een administratieve weg" te gaan tussen registratie bij CertiQ en bij RVO als "officieel administratief gerealiseerd" (SDE) PV project, m.a.w. er zit een vertraging tussen de twee registraties. Van zo'n vertraging zal beslist ook nog sprake kunnen zijn in de laatste stand van zaken opgetekend door RVO, en de feitelijke "oplevering" van dat dossier aan Klimaatmonitor van Rijkswaterstaat.


Kaartje beschikkingen resp. realisaties tm. 2014 op gemeente niveau

Tot slot geef ik hier een via de Klimaatmonitor databank tools gegenereerd dubbel kaartje, met links het beschikte vermogen (MWp) per gemeente (CBS lijst voor 2015), voor het totaal aan SDE 2008 tm. SDE 2014. En rechts het volume daarvan wat tot de peildatum van 12 april 2016 daadwerkelijk fysiek is gerealiseerd.


KLIK op plaatje voor uitvergroting

© OpenStreetMap,

In het linker kaartje zien we dat de toegekende capaciteit aan SDE beschikkingen tot en met de SDE 2014 regeling goed over het land is verspreid, met uitzondering van Zeeland, wat zelfs relatief weinig beschikt vermogen kent. De regio met de hoogste hoeveelheid beschikte vermogens zijn enkele kerngebieden ten (zuid-)oosten van het IJsselmeer (Friesland, Overijssel, Flevoland), de Kop van Noord Holland, zuidelijk Drenthe, en een groot gebied op de grens van oost Brabant en noord Limburg. Verder zijn er verspreid over het hele land nog meer kleinere gebieden met hoge beschikte volumes, zoals de Amsterdamse regio, maar ook bijvoorbeeld enkele gemeentes in Groningen (de hoofdstad, en Delfzijl, de laatste vooral door het 30 MWp Sunport Delfzijl project wat het Duitse Wirsol gaat aanleggen).

Bij de realisaties (rechts) zijn slechts enkele kleine gebieden duidelijk koploper, met name Flevoland (meer in het byzonder: bijna de hele Noordoostpolder, oostelijk Flevoland), de Wieringermeer in de Kop van Noord-Holland, en natuurlijk, vanwege slechts één project, het grootste van Nederland, Waddeneiland Ameland. Wat kennelijk al bij RVO "officieel" als gerealiseerd bekend staat (de elektrische aansluiting voor het 6 MWp zonnepark op vliegveld Ballum geschiedde pas eind december 2015). Ook de steden Amsterdam (NH) en Zwolle (Ov.), maar ook de intensieve veeteelt regio van Nederweert (L.), hebben al relatief hoge realisaties laten zien. Iets minder hoge realisatie percentages zien we verder in de grensregio van Noord-Brabant en Limburg, in ZW. Friesland, Drenthe, en enkele gemeentes in Zuid-Holland (Goeree Overflakkee, Rotterdam, en Westland).

Top drie ratings bij gemeentes
Van alle overgebleven SDE beschikkingen bij elkaar (SDE 2008-2015), bestaat wat aantallen betreft bij de gemeentes de top drie momenteel uit Amsterdam (NH, 420), Heerhugowaard (NH, 334), resp. Nijmegen (Gld, 332 stuks). Bij de aangevraagde cq. toegekende vermogens is de volgorde een behoorlijk "noordelijke" aangelegenheid (NB: vooral vanwege de er in zittende zonneparken, zoals het grote SunPort project à 30 MWp...): Groningen (Gr.), Delfzijl (Gr.), en Noordoostpolder (Fl.) hebben 33,7, 33,2, resp. 33,1 MWp beschikt SDE vermogen staan, waarbij ook de vierde gemeente, het Friese Ooststellingwerf (28,6 MWp) vermeld mag worden.

Bij de tot nog toe gerealiseerde SDE volumes waren het vlijtigst bij de geregistreerde aantallen projecten achtereenvolgens Noordoostpolder (Fl., 33), Hollands Kroon (Kop van Noord-Holland, 23 stuks), resp. Dronten (Fl.), met 14 stuks. Kijken we naar de gerealiseerde SDE vermogens, is er slechts een verschuiving in die top drie: Nog steeds Noordoostpolder bovenaan (8,9 MWp), dan Dronten (6,4 MWp), en op drie ditmaal Hollands Kroon, met 6,2 MWp. Een "Zuiderzee Affair", zo lijkt het. Maar beslist moet hier natuurlijk ook Ameland worden genoemd, wat op de vierde plaats staat met haar ene, deels met SDE subsidie gefinancierde zonnepark. Waarvoor 6,0 MWp staat ingeboekt (ik heb een iets lager volume staan op basis van verkregen module data). Nog voor Amsterdam en Zwolle, die het met "slechts" 5,4 resp. 5,0 MWp moeten doen.


Volgende update

Gezien de systematiek van publicatie van data bij RVO.nl, kunnen we waarschijnlijk ergens begin juli nieuwe detail data verwachten over de implementatie van de SDE regelingen. Vermoedelijk zal een volgende update bij Rijkswaterstaat / Klimaatmonitor langer op zich laten wachten.

http://www.klimaatmonitor.databank.nl/Jive/ (databank Rijkswaterstaat, incl. SDE update RVO.nl)


actueel 138 137 136 135 134 133 132 131 130-121 120-111 110-101
100-91
90-81 80-71 70-61 60-51 50-41>>> highlights

 
 
 
© 2016 Peter J. Segaar/Polder PV, Leiden (NL)
^
TOP